Even naar de Kruidvat: een generatiekloof

Je vraagt je waarschijnlijk af wat een Neerlandicus doet met haar vrije tijd in lockdown. Het antwoord: nadenken over lidwoorden en winkels. Doorgaans vindt dat plaats tussen 15:30 en 16:00, vlak na het aandachtig bestuderen van het woordenboek, en nog voor het vereren van het Kofschip. Tijdens dit nadenken over lidwoorden en winkels kwam ik tot een ontdekking: er is sprake van een generatiekloof.

Het zaadje van deze ontdekking werd al eerder geplant. Veel eerder, nog voor de lockdown. Toen hoorde ik mijn moeder de belachelijke uitspraak doen dat ze naar ‘het Kruidvat’ ging. Ik was ontsteld, wie zegt er nou ‘het Kruidvat’? Ik was ervan overtuigd dat iedereen ‘de Kruidvat’ zegt. Zij op haar beurt was ontsteld over mijn ontsteltenis, het is immers ‘het vat’, dus ook ‘het Kruidvat’. En in het merkwaardige geval dat je niet voor ‘het’ zou gaan, dan maar helemaal geen lidwoord. ‘Ik ga naar Kruidvat’ dus. Dat vond ik zo mogelijk nog dommer klinken.

Nu ben ik erg voor taalvariatie, maar niet als ik mijn gelijk wil halen. Dus ik kwam met mijn favoriete troef: bejaard! Je bent gewoon bejaard. Ik testte het met nog een paar andere winkels: ‘Albert Heijn of de Albert Heijn?’ ‘Intertoys of de Intertoys?’ Mijn moeder bleek opzienbarend weinig gek te vinden aan de lidwoordloze variant. In principe is dat logischer, Kruidvat, Albert Heijn en Intertoys zijn namen, daar hoeft geen lidwoord voor. Je zegt ook niet ‘Ik ga op bezoek bij de Frederike’. Toch bleef het mij onophoudelijk oud in de oren klinken.

Om mijn vermoeden van een generatiekloof te testen, heb ik een enquête gemaakt. 135 mensen vulden de korte vragenlijst in, waarbij ze voor verschillende winkelnamen de keus kregen: met of zonder lidwoord. Belangrijkste conclusie: ik ken opvallend weinig mensen tussen 36 en 45 jaar. Op één na belangrijkste conclusie: de meningen zijn verdeeld. Geen enkele vraag leverde een unaniem antwoord op.

Toch zijn er wel een aantal kwesties waarbij de groep eensgezind is. We zeggen ‘ik ga naar de Gamma’ en ‘ik ga naar de Jumbo’, maar ‘ik ga naar Van der Linden’. De meest voor de hand liggende verklaring is bekendheid: hoe bekender een winkel, hoe sneller je een lidwoord toevoegt. Waarschijnlijk omdat je niet meer doelt op de naam, maar op de winkel zelf. Je zegt ‘de supermarkt’, dus ook ‘de Jumbo’.

Maar dat kan niet alles zijn, want waar mensen het eens zijn over Jumbo, wordt bij Albert Heijn soms ook het lidwoord weggelaten. Meer dan een kwart van de respondenten geeft de voorkeur aan ‘ik ga naar Albert Heijn’, terwijl de Albert Heijn niet per se onbekender is dan de Jumbo. Misschien ligt het aan de lengte, dat je bij een langere naam sneller een lidwoord weglaat. Iemand merkt op dat ze naar ‘Albert Heijn’ gaat, maar naar ‘de Appie’. Of het is de ‘naamachtigheid’ van de winkel. Albert Heijn is immers veel duidelijker een naam dan Jumbo. En het lijkt er ook op dat mensen bij ‘Van der Linde’ overtuigder het lidwoord weglaten, dan bij Schaak en Go of Dille en Kamille.

Bekendheid, lengte en naamachtigheid lijken dus allemaal mee te spelen in onze keuze voor wel of geen lidwoord. Maar hoe zit het met die veronderstelde generatiekloof? Voor het gemak heb ik de groep verdeeld in mensen tot en met 35 jaar en boven de 35 jaar. Kortom: jong en oud. Ik leef mee met die 36-jarigen die door mijn willekeur plotseling in de categorie ‘oud’ belanden; probeer het te zien als een bijdrage aan de taalkunde. Want well, well, well, moet je nu toch eens kijken.

Waar over Jumbo en Van der Linde nog eendracht was, blijken Albert Heijn en Dille en Kamille de generaties te splijten. Iemand reageerde, ‘Mijn moeder (55) probeert me al sinds mijn tienerjaren te overtuigen geen lidwoord te gebruiken’. De getallen bevestigen dit tragische beeld. De meerderheid van de jongere respondenten kiest voor ‘de Albert Heijn’, terwijl de oudere groep liever ‘Albert Heijn’ zegt. En zelfs bij Dille en Kamille, waar beide groepen gemiddeld de voorkeur geven aan geen lidwoord, kiezen de jongeren er significant vaker voor om toch ‘de’ toe te voegen.

En ook de beschuldiging aan mijn moeder (‘je bent bejaard want je zegt ‘het Kruidvat’) blijkt ergens op te slaan. De oudere groep zegt inderdaad vaker ‘het Kruidvat’, de jongere vaker ‘de’. Weglaten van het lidwoord doen in beide groepen maar een paar. Ik geef toe, dit is een vrij omslachtige manier om mijn gelijk te halen, maar mam, lees je even mee?

Wie had dat gedacht, dat lidwoorden en winkels een ware generatiekloof zouden aanduiden. Hoe jonger, hoe meer kans op lidwoord, zo blijkt. Over het waarom heb ik geen idee. Zoals men hoort te zeggen na het bedrijven van de wetenschap: meer onderzoek is nodig!

Voor optisch hapklare uitkomsten (cirkeldiagrammen) en de precieze cijfers, klik hier. Ik snap natuurlijk dat je geen echte conclusies kunt verbinden aan een snel in elkaar geflanst onderzoekje met 135 respondenten uit mijn eigen kennissenkring. En dan ook nog eens geïnterpreteerd door iemand die precies niks van statistiek weet. Mocht iemand dit serieus gaan onderzoeken, houd me alsjeblieft op de hoogte.

Ik zeg het nog één keer: ik ben geen taalnazi

Ik ben geen taalnazi. Ik snap dat ik als Neerlandicus én docent Nederlands de schijn tegen heb, dus ik zeg het nog maar een keer: ik ben geen taalnazi. Je hoeft je niet te verontschuldigen als je soms ‘als’ en ‘dan’ door elkaar haalt. Ik wens níet op feestjes aangeklampt te worden met een betoog over hen en hun. Laat dat samenzweerderige toontje maar zitten als je het over ‘me’ en ‘mijn’ hebt. Van harte gefeliciteerd dat jij de regels kent, maar laat me met rust.

Ik ben van de ‘taal verandert nou eenmaal’-school. Me in plaats van mijn? Efficiënt juist. Hun in plaats van zij? Over vijftig jaar is het de norm. Tag me dus ook niet in die Facebookpost over hoe je ‘sowieso’ schrijft. Ik word een beetje naar van de comments daar. Veel kotsemoji’s en veel superioriteitsgevoel. Terwijl, als jouw liefde voor taal bestaat uit het kennen van de spellingregels, heb je een leeg leven. Aaf Brandt Corstius schreef er lang geleden een rake column over in de Volkskrant: “alleen ontalige mensen ergeren zich aan ‘me jas’”.

Niks ten nadele van deze tweet trouwens, ik vind ‘zofiezo’ ook grappig. Maar alles ten nadele van sommige comments.

Géén taalnazi dus. Taalnerd, daarentegen, absoluut. Als jij die ene procent bent van de mensen die op een feestje noch de ‘oh sorry ik was altijd slecht in dt’- benadering kiest, noch de ‘oeh vind jij het ook zo kut als mensen ‘irriteren’ verkeerd gebruiken’-benadering, dan heb je aan mij een goeie. Zeker als daarvoor iets taalenthousiasts in de plaats komt. Iets over de 48 naamvallen van het Tabassaran of zo, de stijlregisters van het Javaans, de tonen in het Punjabi. Of desnoods de verwondering over ‘hun hebben’, waar zou het vandaan komen? Waarschijnlijk kom je de rest van de avond niet meer van me af en waarschijnlijk ben ik ook verliefd op je geworden.

Disclaimer voor alle leerlingen die denken een weg gevonden te hebben naar een hoger cijfer en/of mensen die mijn professionaliteit in twijfel willen trekken: ik leg het kofschip en zo wel uit hoor. Ik denk dat het belangrijk is om te leren je goed uit te drukken, en daar horen af en toe regels bij. Ik wil dat mijn leerlingen een goede e-mail kunnen sturen. Ik wil dat ze serieus genomen worden als ze een sollicitatiebrief schrijven. Maar als ik een leerling ‘hij wilt’ hoor zeggen, moet ik niet kotsen. ‘Not judging your grammar, just analyzing it’, staat er op de sticker op mijn agenda.

Naar aanleiding van dit stukje schreef Matthijs een gastcolumn: “Hello. My name is Matthijs and I’m a recovering Taalnazi.

“Want corona”

Hoe corona onze taal heeft beïnvloed

Het jaar van corona. Het kan niet anders dan dat 2020 op die manier de boeken ingaat. Want hoeveel er ook is gebeurd (bosbranden, Beiroet, Biden, dingen met andere letters), corona was er altijd bij. Corona heeft een enorme impact gehad op de gezondheidszorg, de politiek, het persoonlijk leven van mensen, en ook: op de taal. Corona heeft onze taal veranderd.

Natuurlijk zijn er talloze nieuwe woorden ontstaan (anderhalvemetersamenleving, mondkapjesplicht, ellebooggroet), of woorden van jargon tot algemeen bekend geworden (besmettingsgraad, thuisquarantaine). De spellingscontrole zet nog onder de meeste van deze woorden een rood kringeltje, maar lang kan dat niet meer duren. Het Coronawoordenboek van de Taalbank geeft een bonte verzameling van bekende neologismen (corona-app) tot minder gebruikte coronawoorden (blotesnoetenland). Maar de veranderingen in de taal gaan verder dan de woorden.

The Big Rona
Corona. Corona. Corona. Als je niet al gek zou worden van de grote effecten ervan op samenleving, zou je wel gestoord raken van hoe vaak je het woord hoort. Misschien is het daarom dat mensen op zoek gaan naar alternatieven. In september appte een vriendin me: ‘Alleen verkouden of Rona denk je?’ Ik zie vaker dat soort ‘nicknames’ langskomen. Big Rona, the old Rona, (de) coroon, coroni, cor, roni.

Eerst werd ik een beetje ongemakkelijk van het contrast tussen de serieusheid van de ziekte en de speelsheid van de woordjes. Alsof de ernst van de situatie totaal ondermijnd werd. Maar daarin zit ook de kracht. Als het op 17 november precies een jaar geleden is dat de covidgeval ontdekt werd, schrijft iemand op Twitter: ‘Mooi uitgedost voor Miss Rona’s big birthday bash!’ Iemand anders beschrijft hoe ze op zoek was naar een baan, ‘but old rona has other plans lol’. Hier wordt de taal gebruikt om dat allesbeheersende corona even te relativeren tot een koddig begrip.

https://twitter.com/Bri_Elyse1/status/1263902750439587850?s=20

Het Irma-effect
Het gifje van Irma Sluis, waarin ze het woord ‘hamsteren’ vertolkt, heb ik volgens mij wel honderd keer voorbij zien komen. Bij de persconferenties was opeens een gebarentolk aanwezig, tot grote vreugde van velen. Vreugde van doven en slechthorenden, uiteraard, omdat dit als grote erkenning voelde voor bestaan en hun taal, maar ook vreugde van de rest van Nederland. De populariteit van gebarentolk Irma Sluis steeg tot zulke hoogte dat het internet niet uitgepraat raakte toen ze een keer afwezig was. Op social media werden gifjes gedeeld van leuke vertolkingen.

Op die bijna hysterische lol van velen kwam ook begrijpelijke kritiek. Irma en haar collega’s doen immers gewoon hun werk, en de Nederlandse Gebarentaal is geen gimmick, maar een echte taal. Toch heeft de populariteit veel goeds opgeleverd. Eindelijk is er een wet in de maak die de Nederlandse Gebaren officieel erkent, en de opleiding tot gebarentolk, die al jaren kampt met grote tekorten, kreeg maarliefst 42% meer aanmeldingen. Het Irma-effect, wordt het genoemd.

Sinds corona
Tenslotte is ‘in tijden van corona’, ook de betekenis van het woord corona zelf veranderd. Het begon ermee dat het bekend werd als naam van een ziekte. De officiële naam is uiteraard COVID-19 (Coronavirus Disease 2019), maar in het dagelijks taalgebruik lijkt corona de populariteitsstrijd gewonnen te hebben. Niet gek ook, want het is makkelijker en korter, en de kans dat iemand in verwarring is over wélk coronavirus je nou bedoelt, of dat je het misschien over het bier hebt, is nihil.

Daarnaast is de betekenis van het woord enorm verruimd. In het begin verwees corona alleen nog naar de ziekte, maar dat is inmiddels niet meer het geval. Nu hoor je mensen dingen zeggen als ‘het is corona’ of ‘sinds corona was ik mijn handen veel vaker’. Corona gaat daar niet over de ziekte, maar het verwijst naar de invloed die het virus op onze maatschappij heeft. Dat zie je ook aan woorden als coronababy, coronacorpulentie of coronakapsel. Die baby, de corpulentie en het kapsel komen echt niet door de ziekte, maar door de coronatijd waarin we leven, met alle maatregelen en gewoontes van dien.

Via @nosstories

In die betekenis heeft het woord corona zich ook in uitdrukkingen gevestigd. ‘In tijden van corona’ is binnen een jaar tijd een vaste uitdrukking – bijna een cliché – geworden. En soms zie ik zelfs een nieuwe zinsconstructie ontstaan. The Post Online kopte bijvoorbeeld: ‘Landelijke intocht Sinterklaas dit jaar GEHEIM, publiek niet welkom, want corona’. En de Groningse blog Sikkom: ‘IKEA Grunn weigert moeder met tweeling van één jaar oud, want corona’. ‘Want corona’, meer toelichting is er na een jaar doorspekt van coronanieuws blijkbaar niet meer nodig.

Dit artikel verscheen op zaterdag 12 december (in iets gewijzigde vorm) in het Dagblad van het Noorden en op 2 januari in de Leeuwarder Courant.

Don’t you hate it when you earn £10.000?

Waarom zijn er zo weinig rechtse comedians? Is comedy misschien inherent links?

In een van zijn Live at the Apollo-optredens stelt de Britse comedian Nish Kumar dat het aanzienlijk makkelijker is om left-wing-comedy te maken dan right-wing-comedy. “Hey! Don’t you hate it when you start earning over a hundred thousand pounds a year and you move up an income tax bracket!?” Het publiek lacht. “Doesn’t work!” Natuurlijk is zijn uitspraak in de eerste plaats een stukje stand-up (daarna stelt hij dat schaak in principe ‘slow tactical racism’ is), maar toch liet het me niet los. Heeft hij gelijk? Zit er iets in het principe van comedy dat inherent links is?

De hypothese heeft de getallen mee. Het lijkt erop dat er inderdaad meer linkse dan rechtse comedy is. Ik ben niet de eerste die dat opvalt. Maar die disbalans kan natuurlijk meerdere verklaringen hebben. Misschien kiezen mogelijke rechtse comedians wel eerder voor een beter betaalde baan. Misschien wordt het de rechtse comedians onmogelijk gemaakt (door zenderbazen, schouwburgdirecteuren, Bill Gates). Of misschien reken ik wel veel meer comedy tot left-wing dan eigenlijk nodig is. De rechtse comedian Geoff Norcott vertelt hoe bezoekers vaak ironie zien waar dat niet is. Eén vrouw ging er zelfs vanuit dat hij een typetje speelde. “She was laughing throughout – for all the wrong reasons.”

Om de vraag echt goed te beantwoorden, moeten we er dieper induiken. Je moet afbakenen wat comedy is (ik zou zeggen: het verhalen vertellen en/of grappen maken met als voornaamste doel een publiek te laten lachen) en wat links is (iets met het idee dat de zwakkeren in de samenleving beschermd moeten worden, in plaats van overgelaten te worden aan principes als ‘eigen verantwoordelijkheid’ en marktwerking). Zit er iets in de linkse ideologie dat meer ruimte biedt aan comedy? Zit er iets in comedy dat beter aansluit bij een linkse ideologie?

Het eerste waar ik aan moet denken, is het welbekende principe van punching up. Lachen werkt bevrijdend, wordt vaak gezegd. Met humor kun je je wapenen tegen dat wat macht over jou heeft, omdat het de legitimiteit ervan (tijdelijk) ondermijnt. Het kan gaan om het relativeren van allesoverheersende emoties (verdriet, boosheid, angst), maar ook om het op losse schroeven zetten van mensen of instanties die vrij letterlijk de macht hebben. Van docenten en bazen, tot wereldleiders en meerderheidsgroepen zoals witte mensen, hetero’s of mannen. Daarom zijn grappen vaak gericht aan hen ‘boven’ je: punching up.

Als het klopt dat humor vaak zo werkt, dat humor in zekere zin bevrijdt van onderdrukkende machtsstructuren, dan is de link met links niet ver te zoeken. Het is een verklaring die, met uiteenlopende nuances, vaker wordt overwogen. Op de website Pathos schrijft filosoof Jonathan MS Pearce bijvoorbeeld: “Comedy, with its subversive and rebellious nature, will attack the haves, and celebrate the have-nots in their struggle to have.” Volgens Joop.nl heeft humor vaak met gerelativeerde pijn te maken, maar kent de rechtse mens alleen financiële pijn. “Die pijn in zijn portemonnee wil hij niet creatief in het theater relativeren, maar creatief via belastingtrucs of de politiek in klinkende munt terugkrijgen.” Ik zei toch, uiteenlopende nuances.

Maar dit idee dat humor vaak omhoog trapt (punching up) en daarmee links is, is geen sluitende verklaring voor de alomtegenwoordigheid van linkse comedy. Deels misschien wel, maar niet alle comedy valt onder dit soort gezagsondermijnende, punching-up-humor. Ricky Gervais, bijvoorbeeld, schuwt harde grappen over minderheden echt niet. En Daniel Sloss maakt in zijn Netflix-specials ‘Dark’ en ‘Jigsaw’ ijzersterke grappen over zijn gehandicapte zusje. Het kan. Maar dat het niet ‘typisch’ links is, maakt het niet automatisch rechts. Dat merkt ook Zoe Williams op in The Guardian: “The Frankie Boyle/Ricky Gervais sensibility, where anything’s funny as long as you’re not supposed to say it, is explicitly “anti-political correctness”, but implicitly, it’s anti-political anything.” Niet links of rechts dus, maar a-politiek. Net zoals bijvoorbeeld Ronald Goedemondts relaas over tegenwerkende stofzuigers a-politiek is, of de woordgrappen van Ronald Snijders.

Of alle humor die niet naar boven trapt ook meteen niet-politiek is, is trouwens wel een punt van discussie. Er is ook iets voor te zeggen dat humor die de status quo bevestigt, helemaal niet neutraal is, maar rechts. Het artikel Where Are All the Right-Wing Comedians? gaat in op dat idee, dat ‘maar een grapje’ niet bestaat, omdat – hoe sterk, doordacht en goedbedoeld ook – de comedian altijd een bepaalde mate van macht heeft. Comedians die aan meer status quo-bevestigende humor doen, ontkennen vaak dat ze die macht hebben. Ze zeggen dat het ‘maar een grapje’ is en dat zij slechts grappenmakers zijn. Denk bijvoorbeeld aan Youp van ‘t Hek, die zich in De Wereld Draait Door verdedigt voor zijn pisnicht-column met ‘een grap is gewoon een grap’. 

Eerlijk gezegd vind ik dat nogal makkelijk. Zeker als je bedenkt dat er een sterkere reden is om toch dit soort grappen te maken: sommige comedians stellen dat het recht om grappen te maken belangrijker is dan de ‘verplichting’ aan de kant van de minderheden te staan. Guido Weijers zegt bijvoorbeeld in de PowNed-documentaire Dat zijn geen grappen: ‘Als mensen een grap maken die heel ver gaat, dat kun je wel een smakeloze grap vinden, maar dat wil niet zeggen dat je het niet mag zeggen. (…) Iedereen moet alle grappen mogen maken.’ Je zou kunnen zeggen: ze vinden vrijheid belangrijker dan gelijkheid. En hoewel ik daar zelf enig ongemak voel – ik identificeer mezelf als links, maar vind de vrijheid om grappen te maken erg belangrijk – vind ik het geen gek idee om dit rechts te noemen. 

Er is dus wellicht meer comedy rechts dan ik in eerste instantie gedacht had, want ook punching down, of status quo bevestigende humor, is goed onder ‘rechts’ te rekenen. Daar wil ik nog wel drie kanttekeningen bij plaatsen. Ten eerste is niet altijd zo één-twee-drie te zien wie het doelwit van een grap is. Ik noemde de gehandicaptengrappen van Daniel Sloss als voorbeeld van harde, en niet per se linkse humor, maar wie de shows gezien heeft, weet dat het geen status quo bevestigende grappen zijn. Het is eerder het publiek dat wordt aangepakt. Ten tweede is het verschil tussen punching up en punching down niet zo helder als het op het eerste gezicht lijkt. Is je afzetten tegen de overwegend linkse comedy-scene niet ook punching up? En is een comedian, bedreigd door een veranderende, globaliserende wereld, die grappen maakt over immigranten, niet ook naar boven aan het trappen? Zo zal het soms wel voelen.

Als derde kanttekening wil ik nog maar even benadrukken dat het wat mij betreft onterecht is dat rechtse humor vaak als diskwalificatie gezien wordt. Een comedian maakt zelf een afweging: welke invloed heb ik eigenlijk? En in hoeverre vind ik de vrijheid van grappen belangrijker is dan het ondermijnen van de status quo? Over die afwegingen kan gediscussieerd worden, maar feit is dat comedy die niet direct naar boven trapt niet per definitie resulteert in bagger met smakeloze grappen. De rechtse comedian Geoff Norcott schrijft hoe een ‘keyboard warrior’ hem tweet dat rechtse comedy per definitie niet grappig is. “David beating Goliath = Funny. Goliath beating David = not funny”. Waarop Norcott antwoordt: “I’m not so sure; it would all depend on how it was handled. The humour could come from David’s quiet confidence as he presumed virtue would result in victory, a bit like left-wingers on election nights.” Een goed punt. Dat kan prima.

Humor is dus niet inherent links. Rechtse humor kan bestaan, en bestaat. Afhankelijk van je definitie van rechtse humor bestaat het zelfs best veel. Gelukkig maar, want er is blijkbaar behoefte aan. Als Nicholas de Santo in comedy club Comedy Unleashed (‘no self-censorship, if it’s funny, it’s funny’) grappen maakt over de Europese Unie, kunstgeschiedenis en IS, lacht en juicht het publiek enthousiast. ‘This is going better than it did in Camden’, zegt hij, verwijzend naar de als alternatief en links bekendstaande Londense wijk. Het is de volste lach van de avond.

Een so (een is sowieso goed)

“Let even goed op, want ik zal je precies vertellen wat je moet leren voor het so van volgende week.” De leerlingen in mijn vwo-2-klas schrijven driftig mee met wat ik op het bord schrijf: verwijswoorden, zij/hun/hen, dat/wat, als/dan.

Niemand roept iets over de taalfout die ik in die zin gemaakt hebt. En dat is echt niet uit beleefdheid, want in principe grijpen ze elke gelegenheid aan om mij te wijzen op elke vermeende (!) fout. “Haha! Mevrouw! U zei ‘een aantal van jullie heeft’, maar het is natuurlijk ‘hebben’!” De reden dat ze niks zeggen is puur dat ze de taalfout niet gehoord hebben. Ik hoorde hem zelf ook niet. Ik vraag me af hoeveel van de lezers het zagen.

Ik wist pas dat het fout was, toen een vriendin mij appte. ‘Zeg jij de so of het so?’ Zonder twijfel antwoordde ik ‘het’. Voor haar gold hetzelfde. Maar op de school waar ze werkt, een gymnasium, zeggen alle docenten ‘de’. Alle leerlingen zeggen ‘het’.

Natuurlijk is het ‘de’ so. In principe krijgt een afkorting het lidwoord dat hoort bij de uitgeschreven vorm. Het is ‘de schriftelijke overhoring’, dus ook ‘de so’. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de tv (want: de televisie) en het hbo (het hoger beroepsonderwijs). Toch betwijfel ik of ik óóit in mijn leven ‘de so’ heb gezegd. En ik snap niet waarom.

Het gebeurt wel eens vaker dat het lidwoord van een woord verandert. Maar dat is eigenlijk altijd andersom. Van ‘het’ naar ‘de’.  In 2011 schreef Onze Taal al hoe het kan dat ‘het’ aan terrein verliest. Zo is er weinig informatie om aan af te leiden welk lidwoord je moet hebben, heeft het Nederlands überhaupt meer de-woorden dan het-woorden, en krijgen ook bijna alle nieuwe woorden ‘de’ (‘de feedback’, ‘de talkshow’). Logisch. Maar waar komt dan in vredesnaam die ‘het’ vandaan in ‘het so’?

Toen ik de toets van mijn klas nakeek, had ik soms moeite om een rode streep te zetten door ‘een meisje die’. Het feit dat ik ‘het so’ en niet ‘de so’ nakeek, vervulde me met bewustzijn dat taalgevoel soms tegen de regels indruist. Ik ga ervan uit dat als ze ‘het’ so vijftig jaar later hadden gemaakt, ik een krul had kunnen zetten.

Op Twitter krijg ik inmiddels veel reacties. De meest genoemde verklaring: ‘so’ stond vroeger voor ‘schoolonderzoek’, waarbij ‘het so’ wel logisch is. Hoewel ik de term ‘schoolonderzoek’ zelf niet ken (de term is in 1998 vervangen door ‘schoolexamen’) lijkt dit me geen gek idee.

Neem de kijker serieus

Of een hele lange inleiding voor ik je vertel welke comedian je moet checken

Vanuit de cabaretwereld is er met enige regelmaat kritiek op het feit dat het genre soms niet zo serieus genomen lijkt te worden. Waarom wordt de Poelifinario, de prijs voor het meest indrukwekkende cabaretprogramma van het seizoen, bijvoorbeeld niet tegelijkertijd uitgereikt met andere theaterprijzen? En waarom krijgt de winnende cabaretier geen gouden penning, zoals de winnaar van de Louis d’Or, maar een spiegel van de Xenos? Terechte discussie lijkt me, maar volgens mij begint alles bij het serieus nemen van de kijker. En met de kijker bedoel ik in dit geval: mijzelf.

Een echte mening over cabaretprijzen heb ik helemaal niet. Wat kan mij het nou schelen wat anderen ervan vinden. Love yourself, er zijn al anderen genoeg. etc. etc. Maar toen ik laatst een stukje schreef over dingen die ik mooi vind, en het immer hartverscheurende dilemma of je dat wel of niet met anderen wilt delen, merkte ik dat ik bij ‘dingen die ik mooi vind’ zelf meteen dacht dat ik tranentrekkende muziek bedoelde, of een schilderij of zo, of een gedicht. Terwijl ik nota bene wist naar aanleiding van wat ik het stukje schreef, ik wist allang wat ik éigenlijk bedoelde. Ik bedoelde comedy.

Nu ben ik toch wel iemand die in haar leven zorgwekkend veel tijd heeft besteed aan het kijken van cabaret en stand up. Op YouTube, op Netflix en in het theater. Ik heb er een mening over, ik kan er uren over praten, en heb er zelfs een godganse blog aan gewijd. En tóch denk ik bij ‘kunst die je raakt’ vooral aan poëzie (?) en sonates (??). En als ik met iemand over theater praat, schaam ik me lichtjes als ik zeg dat ik muziektheater en toneel weliswaar interessant vind, maar mijn grootste belangstelling bij cabaret ligt.

In een podcast zei de Britse comedian Lee Mack iets wat mij aan het denken zette. Hij merkte op hoe, als je naar aanleiding van het overlijden van een dierbare een lied zou zingen, iedereen dat prachtig vindt, terwijl je, als je er grappen over maakt, de kritiek krijgt je gevoelens weg te lachen. Volgens hem is dat scheef, omdat je in beide gevallen je rouw omzet in een vorm van kunst. Een goed punt volgens mij, want gevoelens lach je echt niet zomaar weg. Integendeel, denk ik.

Sommige comedy betekent echt iets voor me. Het kan mij raken. Net zoals ik betoverd kan raken door een boek, of zoals muziek me plotseling kan aangrijpen. Niet op dezelfde manier, maar wél op dezelfde manier. (Ja, sorry, zoek dit maar even zelf uit.) Blijkbaar vind ik dat zelf moeilijk te geloven. Alsof ik denk dat glim- en/of schaterlachen een oppervlakkige bezigheid is. Een bewering die ik, laat ik hier even duidelijk over zijn, tegelijkertijd tot in het diepst van mijn wezen pertinente onzin vind.

Goed. Wat ik eigenlijk wilde zeggen. Ik heb een nieuwe favoriete comedian en hij heet James Acaster. Kijk dat.

Wat ik geleerd heb op school

sum es est
read – read – read
wandelen is wederkerend
sumus estis sunt

subductie, figuurzaag
Boeddha, hamartia
boombladerenherbarium
schade bis Montag

je kunt niet delen door nul
er moet brood op de plank
het vak is om je heen
als je geraakt wordt, ben je af

het is niet Archilles maar Achilles
taart is spanning, kabouters zijn stroom
1 – 1 – ½ – 1 – 1 – 1 – ½ 
tekenen doe je met potlood

een gedicht is een gedicht
als de schrijver zegt
het is een gedicht

Schuldig

Het was prachtig weer. Zoals eigenlijk de hele week al. De zon scheen, het was een graad of 12. Tijdens het longboarden op het fietspad voor mijn huis deed ik zelfs mijn trui uit. Ik voelde me bevrijd.
Meteen voelde ik ook een sluimerend schuldgevoel. Alsof het ongepast was te genieten. Alsof ik eigenlijk de hele dag stemmig op de bank zou moeten zitten, met een peinzende blik.
“It’s the end of the world as we know it / I feel fine.”
Toen ik weer naar binnen wilde, bleek mijn trui gestolen te zijn van het bankje waar ik ‘m overheen had gehangen. Toch nog een beetje ellende.
In februari nam ik me voor om elke dag een stukje te schrijven. Toen kwam corona. Nu gaat elk stukje plotseling over corona. Deze is van 25 maart.
Illustratie: Christy Luth

De krokusjes komen

Nu ik weer ‘terug’ ben in het voortgezet onderwijs, heb ik opeens allemaal vakanties. Kerst- en zomervakantie natuurlijk, maar ook herfstvakantie, meivakantie en nu: voorjaarsvakantie. Of zei ik voorjaarsvakantie? Ik bedoel natuurlijk krokusvakantie.

Ik ben van mening dat we unaniem moeten overstappen op de term krokusvakantie, dat is echt oneindig veel beter dan voorjaarsvakantie. Nog los van het feit dat het woord ‘krokusje’ gewoon heel lief is, is voorjaarsvakantie veel te droog. Het geeft puur het wanneer aan. Net als herfstvakantie (in de herfst) en meivakantie (in mei). Krokusvakantie gaat over het waarom. We hebben niet zomaar een weekje vrij, het heeft een goede reden. We hebben iets te vieren. Kerst in december, en in februari: de krokusjes!

Ik vind de krokus iets heel goeds om te vieren. Het maakt de toch al fijne vakantie extra speciaal. Ook omdat er iets berustends in zit. We kunnen niet anders. Sorry jongens, de krokusjes komen, leg de pennen neer, tot over een week.

Hoe ik plotseling een hangjongere ben

Ik heb dus een longboard. En sinds dit voorjaar ben ik daar vrij fanatiek mee aan het skaten. Het is een soort buitenspelen voor gevorderden, waar ik erg van geniet. Dat klinkt onschuldig, maar nu blijkt dat ik zodra ik op mijn board stap, een hangjongere word.

Ik merk het aan de mensen met wie ik contact heb. Ik krijg plotseling een knikje van skaters en een shakagebaar van coole dudes op boosted boards. Parkhangjochies kijken instemmend toe. Anderzijds word ik gehaat door windjacks op elektrische fietsen. Skatend op hún fietspad rijd ik hoe dan ook in de weg. Ze werpen beschuldigende blikken als ze om me heen moeten. Ze halen me rechts in en kijken kwaad. Soms voel ik de behoefte een krachtig okboomer hun kant op de sturen, maar eigenlijk kan ik nooit horen wat ze me naroepen, dus in theorie kan het ook een enthousiast “do a kickflip!” zijn. En bovendien heb ik vaak al sorry gezegd.

Het lijkt me zo leuk als de boze windjacks wisten dat er in een ander universum veertienjarigen zijn die mij mevrouw noemen. Ook al iets wat op een groot misverstand berust.

Foto door de fantastische @oh_lina