Wat voor auto rijd jij?

‘Hey gozer, mag ik eens vragen, wat voor auto rijd jij eigenlijk?’ In zijn voorstelling ‘De R van Ronald’ beschrijft Ronald Goedemondt hoe een oudere kakker hem deze vraag stelt. Zelfs zonder het bijbehorende fragment, kun je hem horen praten: de Gooise R bij ‘gozer’, het Frans uitgesproken [oto], en minstens zo typisch: deze zinsconstructie. Het is nadrukkelijk niet ‘in wat voor auto rijd jij’, maar ‘wat voor auto rijd jij’. Waarom klinkt dat zo kak?

Het ogenschijnlijk kleine grammaticale verschil tussen ‘ik rijd een auto’ en ‘ik rijd in een auto’ (een zin met een lijdend voorwerp en een zin met een bijwoordelijke bepaling) zorgt voor een groot verschil in gevoel. ‘Ik rijd in een auto’ is een neutrale beschrijving van een plek, terwijl ‘ik rijd een auto’ de nadruk legt op de handeling van het besturen. Als je zegt ‘we zijn hier in de auto heen gereden’ suggereer je niet dat iedereen in de auto (al dan niet omstebeurt) op de bestuurdersstoel heeft gezeten. Bijrijder zijn is genoeg om in de auto te rijden. Net als dat je niet achter het stuur hoeft te zitten om in een trein te rijden. Bij ‘ik rijd een auto’ is dat heel anders. Die rol is voorbehouden aan de chauffeur en enkel de chauffeur. Daar laat een stereotiepe kakker geen misverstand over bestaan.

Daarnaast zit in ‘wat voor auto rijd jij’ een soort merkvastheid. De vraag gaat niet alleen over het voertuig waar jij je per ongeluk mee voortbeweegt, het gaat over het merk waaraan jij trouw bent. De steller van de vraag wil eigenlijk weten: wie ben jij? Een Porsche-man? Een Mercedes-vent? Of toch een BMW-knulletje? Daarom zegt hij ook niet gewoon ‘wat voor auto heb jij?’ Die vraag is voorbehouden aan mensen die lekker een goedkoop tweedehandsje hebben uitgezocht, of die met een leuke kleur. Terwijl, ‘een auto rijden’, dat is een experience! Een levensstijl! Een state of mind!

Ik vraag me af of deze typische zinsconstructie alleen bestaat bij kakkers die lullen over auto’s. Vragen pretentievolle koks aan elkaar ‘wat voor mes snijd jij?’ Informeren sprinters die interessant willen doen ‘wat voor schoenen loop jij?’ Ik betwijfel het en dat vind ik toch een beetje jammer. Het is grammaticaal misschien iets minder correct, maar daar hoef je je op zich niet door te laten tegenhouden. 

Ronald Goedemondt kreeg nog de vervolgvraag wat zijn droomauto was, waar hij een prima antwoord op had. En ik zelf rijd trouwens helemaal geen auto. Ik rijd een Batavus en dat bevalt uitstekend.

(Ode aan haakjes)

Kijk, ik wil niet per se meteen allemaal stereotypen over taalnerds bevestigen, maar ik heb dus lievelingsinterpunctie. Lievelingskleur: blauw. Lievelingsdier: schaap. Lievelingsleesteken: haakjes. Ben echt een groot fan van haakjes. Laat me dat uitleggen.

Haakjes zijn een ongekende aanvulling op de schrijftaal. Je kunt er iets leuks mee: je kunt stiekem van alles toevoegen aan het verhaal dat je aan het vertellen bent. Dingen die niet heel relevant zijn voor de hoofdtekst, maar ook weer niet ongezegd moeten blijven. Haakjes bieden ruimte aan humor en nuance. Aan zijpaden en ritme. Anders dan de vormgeving doet vermoeden (‘haakje openen’, ‘haakje sluiten’) zijn het niet een soort hekjes die de tekst afgrenzen, maar geven ze juist ruimte. Ik zeg altijd: haakjes beperken niet, haakjes bevrijden. (Áltijd zeg ik dat.)

Ik zou willen dat haakjes in spreektaal bestonden. Ook daar wil ik namelijk die humor, nuance en zijpaden toevoegen, maar ik wil tegelijkertijd dat mijn gesprekspartner me kan volgen. Wat zijn de haakjes van de stem? Zit het in volume? Toonhoogte? Snelheid? Vaak probeer ik alle lettergrepen in één lettergreep uit te spreken en vergeet ik te articuleren. Het werkt zelden. Waren er maar haakjes.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de mogelijkheid van oneindige inbedding (moet je kijken (hier kijken (of hier))) en de heerlijke simpliciteit van de term (niks geen interessantdoenerij met ‘accolades’ en ‘beletseltekens’). Haakjes zijn mijn nummer 1. Voor de liefhebber: de komma staat op nummer 2, het gedachtestreepje op 3.

In mijn mails en stukjes probeer ik het gebruik van haakjes aan banden te leggen, want de samenleving is nog niet zo ver. Ik hanteer de vuistregel van maximaal één set haakjes per alinea: niet al te onprofessioneel, geen risico op haakjesinflatie en toch genoeg om wat extra’s binnen te smokkelen. Maar eerlijk is eerlijk, het liefst zet ik alles wat ik schrijf tussen haakjes (al moet moet een psycholoog daar misschien eens naar kijken).

Key en Kharms

Een zoektocht naar mijn liefde voor het werk van de Britse comedian en de Russische schrijver. Of: wat ik denk van nonsens.

Omdat ik voor de mondelingen literatuur in vwo 6 eigenlijk ‘De aanslag’ van Harry Mulisch moet lezen, en ‘Noodlot’ van Louis Couperus, lees ik nu met volle overgave ‘Today I Wrote Nothing’ van Daniil Kharms. Ik ken Kharms pas sinds kort, via comedian en dichter Tim Key. Ze houden me bezig.

Tim Key

Langs een lange route in de Britse comedy, raakte ik geïntrigeerd door Tim Key (de persoon) en niet veel later ook door zijn werk. Hij schrijft gedichten die je absurdistisch kunt noemen, of nonsens. Gedichten waar hij naar eigen zeggen slechts een paar minuten over doet, en die beginnen met zinnen als ‘Matt was literally all over the place’, ‘Joseph added lots of cornflour to his coffee’ en ‘I took off my mask. No mouth!’ Gedichten ook die ik in gênante mate leuk vind.

Elke keer als ik lol heb om een stukje – ik noem maar iets: ‘We had gone beyond the point where you would “need a bag”.’ -, schippert mijn hoofd tussen het zoeken naar betekenis en het simpelweg accepteren van mijn eigen plezier. Aan de ene kant wil ik wanhopig verklaren waarom dit iets met me doet en probeer ik te beschrijven wat het zo goed maakt, waarbij ik mijn toevlucht zoek tot allerlei interpretaties (op een goede dag haal ik er de politiek, de maatschappij, de zin van het bestaan bij), en aan de andere kant denk ik dat ik Key en zijn werk daarmee verdraai en waarschijnlijk tekort doe.

Neem deze twee gedichten:

POEM.

A pedestrian lay in his bed.
He thought about all the routes he’d walked that day.
He dreamed about all the routes he’d take in the future.
He shut his eyes and smiled to himself.

Van: Instagram

En

PILE ‘EM HIGH

The parks got full.
The government waved through a new policy:
“Stacking”.
Now groups were allowed to assemble on top of one another.
Up to five groups of ten could stack like this.
Park wardens enforced a strict two-metre gap in between the stacks.
Joggers weaved between the stacks and sometimes clambered over them.
They would rest on top of the revellers and drink cider before scrambling back down and jogging on once more.
Snorting, panting, slaloming between these government-sanctioned piles of irrepressible humanity.

Uit: He Used Thought As A Wife

Het is niet heel moeilijk om uit beide een betekenis te persen. De eerste kan een soort metafoor zijn voor het leven. Iets over hoe er altijd nieuwe kansen zijn en avonturen op de loer liggen of zo. De tweede kun je makkelijk lezen als een stukje overheidskritiek in coronatijd. Maar: 1. Ik geloof totáál niet in die betekenissen. 2. Dat is absoluut niet waar mijn geamuseerdheid vandaan komt. Nee joh. Ik vind de zin ‘A pedestrian lay in his bed’ gewoon heel leuk. En ik moet grinniken om het geschetste beeld in ‘Pile ‘em up high’. De goedkope interpretaties zouden daar totaal aan af doen.

Daniil Kharms

Mijn fascinatie voor Key en in het bijzonder mijn fascinatie voor mijn fascinatie voor zijn werk, bracht me bij Daniil Kharms. Key, die Russisch studeerde, liet ergens vallen een liefhebber te zijn van deze avant-gardistische schrijver uit de Sovjet Unie. Normaal zou ik afgeschrikt worden door termen als ‘avant-garde’ en ‘iconoclastisch’ en laten we er voor de lol meteen ‘postmodernisme’ bij gooien (waarschijnlijk omdat ik niet precies weet wat ze betekenen, en omdat ze een soort Bedoeling suggereren), maar nu dacht ik: die moet ik lezen! Lang verhaal kort: nu ben ik ook liefhebber van Kharms. Eigenlijk was ik al verkocht na de eerste zinnen van het eerste verhaal dat ik las, Blue Notebook No. 10: “There was a red-haired man who had no eyes or ears. Neither did he have any hair, so he was called red-haired theoretically.” (In de vertaling van Neil Cornwell).

De invloed van Kharms op Key’s werk is onmiskenbaar. De combi van het absurde en het alledaagse, de willekeur, de uitroeptekens!, het deed me allemaal ontzettend aan Key denken. Tegelijkertijd raakte ik daarvan in de war. Kharms is een veelgeprezen schrijver waar literatuurwetenschappers en -critici vanalles over schrijven, en Key is een comedian. Weliswaar ook veelgeprezen, maar vanuit een heel andere hoek. Hoe kan ik beide op een ogenschijnlijk zelfde manier waarderen? Trekt Kharms mij om de verkeerde redenen? Mis ik een belangrijke betekenis? Het idee dat er waarschijnlijk allerlei interessants onder het oppervlak van Kharms’ werk zit, vervult me eerder met teleurstelling dan blijdschap. Het liefst wil ik lachen om ‘The Plummeting Old Women’ en daarna met rust gelaten worden. Of nou ja – ik wil dus wel begrijpen waarom ik dat verhaal zo leuk vind.

The Plummeting Old Women

A certain old woman, out of excessive curiosity, fell out of a window, plummeted to the ground, and was smashed to pieces.
Another old woman leaned out of the window and began looking at the remains of the first one, but she also, out of excessive curiosity, fell out of the window, plummeted to the ground and was smashed to pieces.
Then a third woman plummeted from the window, then a fourth, then a fifth.
By the time a sixth old woman had plummeted down, I was fed up watching them, and went off to Mal’tseviskiy Market where, it was said, a knitted shawl had been given to a certain blind man.

Uit: Incidences, vertaald door Neil Cornwell

Toen ik gisteren de introductie van vertaler en auteur Matvei Yankelevich op ‘Today I Wrote Nothing’ las, hield ik mijn hart vast. Bijna begon het me te duizelen van de literaire vergelijkingen en historische kaders. Totdat Yankelevich een verrassende richting op ging. Hij schrijft: ‘Kharms’s writing is often forced into political paradigms’ en ‘Kharms consistently denies us our desire to draw any moral conclusions from his work’. Hij zet uiteen hoe veel interpretaties van Kharms’ werk ten onrechte terugvallen op de politieke en maatschappelijke context. En hij spreekt de hoop uit dat Kharms ook vooral een beetje die vreemde schrijver in de marge blijft.

Dit luchtte me ontzettend op. Ik wil graag mijn liefde voor zijn werk verantwoorden, maar niet ten koste van de ogenschijnlijke onzinnigheid die me juist zo aanspreekt. Net als bij Key. Er zit juist schoonheid in eenvoud, lol in absurdisme, troost in merkwaardigheid. Om de laatste zin van Blue Notebook No. 10 te citeren: “In fact it’s better that we don’t say any more about him.”

Weg met sneuvelen en westenwind

Er zijn woorden die ik gewoon niet serieus kan nemen. Het moge duidelijk zijn dat ik ontzettend van woorden houd, dat ik nieuw taalgebruik omarm of op zijn minst tolereer, dat ik hele lijsten bijhoud van woorden die ik goed vind klinken, maar ook ik ben maar een mens. Van alle woorden die ik ken, zijn er vier (4) die niet werken. Na jaren worstelen moet ik toegeven: de volgende woorden kan ik nooit in alle ernst gebruiken. 

Sneuvelen

Ik heb dit woord leren kennen in de veronderstelling dat het niet serieus was, en ik kom er niet meer vanaf. Ik weet wat het betekent, en dat dat niet grappig is, maar het klínkt wel grappig. Sneuvelen heeft hetzelfde patroon als hinkelen, kukelen, en druppelen, als ratelen, babbelen en bibberen. Hoe kan je dan respectvol zeggen dat een soldaat gesneuveld is?

Woonachtig

Wat is in vredesnaam woonachtig? Ik denk niet dat er normaal woord is dat ik vreemder vind dan dit. In mijn bescheiden mening woon je ergens, of je woont er niet. Net als dat je ergens kunt werken (dan ben er werkzaam), of iets kunt bezoeken (dan ben je op bezoek). Wonen lijkt me geen moeilijker concept. ‘Woonachtig’ straalt onnodig veel wantrouwen uit. En is bovendien lichtelijk denigrerend. Alsof het zeggen wil ‘tja, wonen zou ik het niet willen noemen, maar vooruit’.

Vechtscheiding

Sorry maar vechtscheiding is een woordspeling. Een samenvoeging van ‘gevecht’ en ‘scheiding’. Je kunt niet een woordgrap gebruiken voor zoiets treurigs.

Westenwind

Denk eens aan een richtingbord. Bijvoorbeeld eentje met ‘Durgerdam’ erop (dat vind ik de leukste Nederlandse plaatsnaam, het klinkt alsof het verzonnen is door Annie M.G. Schmidt). Welke kant wijst de pijl op? In de richting van Durgerdam, of precies de andere kant? Nee oké, dat we hier op één lijn zitten. – Waarom doen we dat dan bij windrichtingen precies andersom? Waarom betekent ‘westenwind’ dat de wind uit het westen komt? Het is volstrekt onlogisch om windrichting aan te duiden met de richting waar de wind vandáán komt. Als je iemand de weg wijst, zeg je toch ook niet ‘en dan bij de derde straat moet je van links komen’. Dat zou verwarrend zijn. Ik wil niet weten waar de wind vandaan komt, ik wil weten waar de wind heen gaat. Dat klinkt wellicht filosofisch, maar ik bedoel het puur praktisch.

Weet dat ik het echt geprobeerd heb om aan deze woorden te wennen, maar het is niet gelukt. Als we deze vier nou even aanpassen, ben ik helemaal tevreden met de Nederlandse woorden. Bedankt alvast.

Dw i eisiau bwyd – ik wil voedsel

Er blijken dus mensen te zijn die helemaal niet bovenmatig enthousiast worden als je vertelt dat je in het Welsh niet zegt ‘ik heb honger’ of ‘ik ben hongerig’, maar ‘ik wil voedsel’. 

Een (vermoedelijk onvolledige) lijst van mensen die niet van hun stoel springen van enthousiasme bij dit nieuws:

  • Mijn broertje
  • Mijn vader
  • Mijn moeder
  • Mijn voltallige 3 havo/vwo-klas

In mijn derde klas zitten heel wat leerlingen die naast het Nederlands nog een andere taal spreken, iets waar ik in de toekomst nog veel gebruik van wil maken. Russisch, Javaans, Hebreeuws, Bulgaars, Kantonees, een geweldige variatie. In al die talen blijk je helaas gewoon ‘ik heb honger’ of ‘ik ben hongerig’ te zeggen. Dat kán op zich ook in het Welsh. Terwijl ik van dat ‘ik wil voedsel’ (dw i eisiau bwyd) al een paar dagen aan het genieten ben. Er zit iets leuks vastberadens in. Niet het probleem, maar de oplossing wordt benoemd. En sowieso word ik altijd vrolijk als een taal iets anders doet dan het Nederlands.

Ik kwam achter dit feitje, omdat ik sinds kort Welsh leer op Duolingo. Ik ben niet in de veronderstelling dat ik ooit Welsh zal kunnen. Een van de redenen daarvoor is dat Welsh onuitspreekbaar is. En ik ben bijvoorbeeld niet echt gemotiveerd. En het is ook weinig praktisch omdat alleen wat mensen in Wales en Argentinië (!) het spreken. Op beide plekken ben ik nog nooit geweest. Toch vind ik het erg leuk, want het Welsh zit vol met dingen die anders zijn dan in het Nederlands.

Welsh is een leuke combi van herkenbaar en totaal onbegrijpelijk. Het feit dat het in Groot-Brittannië wordt gesproken, betekent niet dat het een soort Engels is. Het is wel verre familie. Het Welsh is een Keltische taal, wat inhoudt dat het hoog in de stamboom verwant is aan onder meer het Engels en Nederlands (West-Germaanse talen) en het Spaans en Frans (Romaanse talen). Het is een broertje van het (bijna uitgestorven) Bretons, zoals Nederlands en Duits broertjes zijn. En het is een neefje van het Iers en Schots-Gaelic, ongeveer zoals het Nederlands en het Zweeds aan elkaar verwant zijn. Door die stamboom is de taal voor ons niet volledig merkwaardig, maar toch wel een beetje.

Dat merk je meteen al aan hoe de woorden eruit zien. Het Welsh gebruikt net als wij het Latijnse schrift, maar de woorden zien eruit alsof de kat op het toetsenbord is gaan zitten. Sommige letters staan voor klanken waar mijn mond niet toe in staat is. Misschien ken je wel het filmpje van de Britse weerman die vertelt dat het 21 graden was in Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch. Ik zelf loop al vast bij bibliotheek: llyfrgell. Niet te doen. En zelfs als een woord best wel klinkt als een woord dat ik ken, ziet het eruit als een puzzel. Konijn is ‘cwningen’, chocolade is ‘siocled’ en kastje (cupboard) is ‘cwpwrdd’.

Terwijl ik de lesjes over begroetingen, dieren en het weer maak, stuit ik steeds weer op woorden en constructies die net even anders zijn dan ik ken. ‘Owen heeft een kat’ druk je uit als ‘een kat is met Owen’ (mae cath gydag owen). En in plaats van ‘het regent’ zoals in het Nederlands, of ‘hij regent’ zoals in het Frans (il pleut), zeg je ‘zij regent’ (mae hi’n bwrw glaw). Andere recente vreugdebrengers: oktober is letterlijk ‘maand herfst’ (mis Hydref), en een week is ‘achtnachten’ (wythnos).

Ik blijf deze weetjes vertellen aan iedereen die het wil horen (of, laten we eerlijk zijn, aan iedereen naar mij moet luisteren (hallo 3B)). Tegen beter weten en glazige blikken in. Ik moet toch ergens heen met mijn enthousiasme. In Wales zal ik er in ieder geval niet zoveel aan hebben, aangezien de zinnetjes die ik leer nogal beperkt inzetbaar zijn. Dw i’n bwyta pannas yn y glaw.

Een ode aan murw (en andere pseudo-onomatopeeën)

‘Ik ontdekte dat ik een type heb,’ appte Veerle me. ‘Qua woorden’. Van alle soorten appjes die je kunt krijgen, is dat wel mijn lievelings. Er zit veel in: dat iemand überhaupt een woordtype heeft natuurlijk, dat de toevoeging ‘qua woorden’ blijkbaar te vanzelfsprekend was om in het eerste bericht te passen. En ook dat zo iemand denkt: op dit nieuws zit Lotte te wachten. En laten we eerlijk zijn: op dit nieuws zit ik inderdaad te wachten. Als het niet smachten is.

Het woordtype in kwestie bestond uit woorden als ‘wrok’, ‘dweperig’ en ‘murw’. Het gaat niet om de betekenis van de woorden natuurlijk – ze zijn allemaal vrij negatief – maar om de klank. Of eigenlijk: de klank in combinatie met de betekenis. Ergens voelen de woorden kloppend. ‘Murw’ klinkt murw. ‘Dweperig’ kun je heerlijk zeurderig uitspreken. En aan het woord ‘wrok’ (WROK!) kun je gewoon horen dat er iets vast zit in je gemoed en dat dat geen goed nieuws is. ‘Een soort halve onomatopeeën’ noemde Veerle ze.

Miauw vs. pedaalemmerzakje

Onomatopeeën zijn klanknabootsingen. Woorden die het geluid nadoen van wat ze betekenen. ‘Miauwen’ bijvoorbeeld klinkt inderdaad als het geluid van een kat. ‘Kukeleku’ klinkt als de roep van een haan. Dat soort woorden zijn bijzonder, omdat de meeste woorden dat helemaal niet hebben. Vaak is de relatie tussen de klank en de betekenis juist totaal random. Woorden als ‘rekenmachine’ en ‘pedaalemmerzakje’ zijn volstrekt willekeurig. Niks aan die klanken verraadt waar het over gaat. Je moet Nederlands spreken om de betekenis te weten.

Lang is gedacht dat die paar onomatopeeën de uitzondering zijn op de regel dat de relatie tussen klank en betekenis arbitrair is. Ferdinand de Saussure was een taalwetenschapper die dat onderzocht. Maar: hij baseerde zich maar op een paar (veelal Westerse) talen. Gaston Dorren beschrijft in zijn fantastisch boek Babel hoe er een heleboel talen zijn op andere plekken in de wereld waar er juist wel betekenis zit in klanken. Het Koreaans bijvoorbeeld heeft veel meer woorden waar de betekenis doorsijpelt in de klank. ‘Kam-gam’ bijvoorbeeld, vond ik een prachtig voorbeeld. Dat betekent ‘in het donker’. Maar als je dan de beginletter ‘gespannen’ maakt (‘kkam-kkam’) betekent het ‘in het pikkedonker’. Een versterkte klank geeft dan dus een versterkte betekenis. Veel andere woorden volgen hetzelfde patroon en het betekenisverschil blijkt zelfs herkend te worden door mensen die helemaal geen Koreaans spreken.

Dit soort vette features heeft het Nederlands helaas niet. Maar De Saussure had ook weer niet helemaal gelijk dat alles willekeurig is. Ook het Nederlands heeft klankpatronen die je niet helemaal los kunt zien van de betekenis. Zo wordt een hoge klank vaak geassocieerd met iets kleins (‘piep’), drukken lange klanken vaak tragere bewegingen uit (‘gaaaapen’ tegenover ‘druppelen’), en is het ook geen toeval dat het woord ‘neus’ nou juist begint met de ‘n’: een neusklank waarbij je met je tong richting je neus wijst.

Murw als pseudo-onomatopee

Nou goed, ik zou dat hele Babel wel na willen vertellen, maar beter lees je het zelf. Mijn punt is: die ‘halve onomatopeeën’ waar Veerle het over had, bestaan echt. Toch fijn als je taalnerderige voorkeur een wetenschappelijke grondslag blijkt te hebben. Of die aantoonbare klank-betekenis-combi ook echt geldt voor ‘wrok’, ‘dweperig’ en ‘murw’, weet ik niet, maar zo voelt het wel. Dat vind ik er eigenlijk ook leuk aan: het voelt kloppend, ook al weet je niet precies waarom. Ik heb hetzelfde met woorden als schraal, struis en loenzen.

Dorren vertelt hoe in het Nederlands dit soort pseudo-onomatopeeën (mijn term) vaak als kinderachtig worden gezien, maar in het Koreaans juist als teken van literaire verfijning en welsprekendheid. Ik stel voor dat wij dat ook gaan doen. In de tussentijd: stuur me je mooiste pseudo-onomatopeeën! Dank. 

Zeg eens whatsapp?

Er is iets aan de hand met 50+’ers die het woord ‘WhatsApp’ uitspreken. Ik val maar meteen met de deur in huis. Ik vind het niet leuk om de samenleving op te delen in jong en bejaard op basis van hun taal (jawel), maar nu is het even nodig. 50+’ers spreken het woord anders uit dan 50-’ers, en als je het eenmaal hoort, kun je het niet meer onthoren.

Altijd als een 50+’er ‘whatsapp’ zegt, gaan er zachte alarmbellen af in mijn hoofd, en sinds ik erop let, probeer ik te achterhalen waar die vandaan komen. Ik herken het gevoel dat erop volgt, omdat het niet ver afligt van het gevoel dat ik als puber had als een willekeurige ‘oudere’ (mijn moeder, de docent wiskunde) een woord gebruikte dat hoorde bij de ‘jongeren’. Leuk experiment: laat een 50+’er het woord ‘chillen’ gebruiken in een gesprek met één of meer pubers. De gemiddelde puber krimpt meteen in elkaar. Een mengsel van gêne en dedain. Cringe, zoals we dat in goed Nederlands noemen. 

De verklaring daarvoor is niet moeilijk. Het is tergend als iemand probeert het taalgebruik van een groep over te nemen als ie daar zelf niet toe behoort. Het klinkt onnatuurlijk, voelt onoprecht. Als er iets erg is voor een puber, is het een volwassene die probeert cool te doen. Het is Balkenende op een skateboard. Het is ‘How do you do fellow kids?’ En voor de goede orde, ik heb ervaring in beide kampen (ik heb gecringed en er is om mij gecringed), en ik weet nog steeds niet wat erger is. 

Maar, de alarmbelletjes die afgaan in mijn hoofd als een 50+’er ‘whatsapp’ zegt, kunnen toch niet hier vandaan komen? Whatsapp is geen jongerenwoord, het is niet voorbehouden aan een bepaalde sociale groep. Het gaat me dan ook niet om het feit dat ze het woord gebruiken, maar om hoe ze het uitspreken.

Whotsepp. Wotsap. Zoiets. Terwijl ik zeg: ‘watsep’. Het verschil is dat 50+’ers ‘whatsapp’ op z’n Engels uitspreken. Met een Nederlands accent erbij wel, maar op z’n Engels. Whotsepp. Terwijl ik, en de meeste 50-’ers met mij, er een veel Nederlandser woord van maken. Watsep. Een soortgelijk patroon lijkt er aan de hand met YouTube. ‘Joetoeb’ (op z’n Engels) tegenover ‘joetsjoep’ (totaal vernederlandst). En zelfs Instagram: ik hoor jongeren het uitspreken met een rollende r.

Mijn theorie (ik heb een theorie) is dat hoe ouder iemand is, hoe Engelser de uitspraak van ‘whatsapp’ wordt. Voor  50+’ers is het namelijk veel meer een Engels woord. Het is een woord dat is geleend uit het Engels, en dus is ‘whotsepp’ de correcte uitspraak. Ondertussen is whatsapp voor 50-’ers zo’n vanzelfsprekendheid dat het een Nederlands woord is geworden. Niet anders dan ‘wat’ of ‘eb’. ‘Watsep’ dus. 

Zo bekeken ligt de hele casus misschien toch niet zo ver af van de chillen-situatie. Met de Engelse uitspraak van whatsapp verraad je als spreker dat het niet jouw woord is. Het is een woord dat je hebt overgenomen van een andere, anderstalige, groep. 

Mijn theorie is wel lastig te testen. Je kunt niet zomaar op iemand afstappen: ‘zeg eens Whatsapp!?’ Je hebt het dan zelf al gezegd, en iemand is zich veel te bewust van zijn eigen uitspraak. En mensen hebben ook altijd ontzettend het gevoel dat je ze beoordeelt. Heel gek. Meer onderzoek is nodig!

Over zelfspot

For English, click here.

“Most of my jokes about myself are at the genuine expense of myself”, zegt comedian Mark Watson in een podcast. “De meeste grapjes die ik over mijzelf maak, gaan daadwerkelijk ten koste van mijzelf.” Ik schrok er een beetje van. Als groot pleitbezorger van zelfspot, was ik even in de war. Zelfspot is toch juist iets goeds? Of niet?

Als ik nieuwe mensen leer kennen, is er niets dat zoveel mij oplucht dan als blijkt dat diegene zelfspot heeft. Vriendelijkheid en empathie en interesse en andere klassiekers zijn belangrijk, maar zelfspot doet ‘t ‘m. Het duidt op een gevoel voor humor – cruciaal -, en op het feit dat diegene zichzelf niet té serieus neemt. Bovendien maakt het een hoop onhebbelijkheden hebbelijk. Zelfspot is mijn favoriete eigenschap in andere mensen.

Ik houd er ook van in cabaret en comedy. Het maakt dingen bespreekbaar, zorgt voor herkenbaarheid en troost, en nog meer dan bij mensen buiten een podium, is het fijn om te weten dat iemand niet alleen anderen gaat aanvallen. Punching down is sowieso snel een afknapper (voor de mensen achterin: dat is grappen maken die ten koste gaan van mensen met een lagere ‘positie’ dan jijzelf), punching up is interessanter, maar kan ook saai of (god verhoede) te politiek correct worden. Punching in je eigen gezicht is de ultieme oplossing.

Het is heerlijk te kijken naar mensen die om zichzelf lachen. Denk aan de voorstellingen Delirium en Delirium II van Javier Guzman, waarin hij praat over zijn alcohol- en cocaïneverslaving en daarbij zichzelf niet spaart. Of naar mensen die spelen met stereotypen en vooroordelen. Najib Amhali: “Als Marokkaan kom ik graag bij de mensen thuis”. En natuurlijk naar de underdog. De aandoenlijke schlemiel, de gedoodverfde verliezer, die we tegen alle waarschijnlijkheden in willen zien winnen. Vooral als die wéét dat hij de underdog is, en daar hartelijk om kan lachen. Ik moet meteen denken aan Nish Kumar in Taskmaster, die overal jammerlijk in faalt, maar tegelijkertijd het hardste schatert.

Het probleem met zelfspot

Tot zover niks aan de hand. Hoera zelfspot. Meestal stop ik hier met denken en kijk dat filmpje van Taskmaster nog een keer. Maar wat als die zelfspot daadwerkelijk ten koste gaat van jezelf? In de bovengenoemde podcast legt Watson uit dat hij soms grapjes maakt die hem eigenlijk bevestigen in de dingen die hij van zichzelf haat. Die hem eigenlijk pijn doen. Dat soort grapjes werken, zegt hij, en het is veilig om kritiek van anderen voor te zijn. Is dat dan nog zelfspot? Of meer zelfhaat?

Dat is ook de vraag die Hannah Gadsby zichzelf stelt in haar legendarische show Nanette. In een confronterende monoloog, vertelt ze dat ze lang heeft gedacht dat ze zelfspot móet hebben, maar dat ze er ziek van is altijd maar grapjes te maken die ten koste gaan van haarzelf. Dat ze helemaal geen grapjes meer wil maken over (onder meer) haar gay-zijn, omdat die zelfspot niets anders is dan zelfhaat. “Do you understand what self-deprication means when it comes from somebody who already exists in the margins? It’s not humility, it’s humiliation.” Zelfspot is vaak prettig, omdat het relativeert, maar sommige dingen moeten helemaal niet gerelativeerd.

Dat zelfspot voor de maker soms niet zo onschuldig is, deed me bezinnen op mijn rol als publiek. Waarom lach ik eigenlijk bij dit soort grapjes? Is het herkenbaarheid, die maakt dat ik me verbonden en misschien zelfs getroost voel? Of is het meer een soort slapstick, en lach ik om andermans ellende? Blijkbaar kan het beide tegelijkertijd zo zijn. Het ligt er maar net aan hoe het publiek ernaar kijkt, en wat er voor de maker achter zit. Het kan een ingewikkelde balans zijn tussen uitlachen en meelachen, lachen om en lachen ondanks. 

Cold Lasagna Hate Myself 1999

James Acaster speelt mooi met die ingewikkelde balans in zijn laatste show, Cold Lasagna Hate Myself 1999. Anders dan in de voorgaande Netflix-special Repertoire, speelt hij geen undercover politieagent, of lollipop man, maar is hij zichzelf, en vertelt hij openhartig over zijn daadwerkelijke leven en zijn mental health. Het is een comedyshow, – ik heb misschien nog wel harder gelachen dan bij Repertoire -, maar door de persoonlijke laag, hebben de grappen een andere lading. En komt die balans preciezer.

Acaster gaat daar soms expliciet op in. Er is een moment dat het publiek hard (te hard) lacht om iets dat inderdaad heel grappig is, maar in het licht van de net door hem gegeven context eigenlijk helemaal niet zo. “I told you all the context, all the details, and you applauded […]. What the fuck is the matter with you?”

Tegelijkertijd zegt Acaster dat er weliswaar zware thema’s aan de orde komen, maar dat het publiek zich geen zorgen hoeft te maken. “The fact that I’m telling you, lets you know it’s fine now. Because – and don’t take this badly-, you lot are never gonna be the first people I come to.” Met andere woorden, als publiek kun je ervan uitgaan dat het oké is. Je verpest je eigen avond als je zelf gaat zitten beoordelen of je wel mag lachen.

Het is dus niet de verantwoordelijkheid van het publiek. Wel dat van de maker. In een podcast vertelt Acaster dat hij zich ervan bewust is dat zelfspot over beladen onderwerpen niet alleen over hemzelf gaat, maar ook over mensen die in dezelfde situatie zitten. Ook als het voor hem oké is, wil hij niet puur lachen om ellende, maar wil hij enig perspectief bieden. Wie de show kijkt (en dat raad ik met aan dwang grenzende klem aan), ziet dat het verhaal en de grappen onwaarschijnlijk zorgvuldig in elkaar zitten.

Onweerstaanbaar

Ik vind zelfspot nog steeds belangrijk en onweerstaanbaar. Maar ik geloof ook dat precisie geboden is. Het is goed om te bedenken dat zelfspot ook anders kan werken, en  niet per definitie goed is. Het kán schadelijk zijn. Voor de maker, zoals Hannah Gadsby en Mark Watson mij lieten zien, en misschien ook voor het publiek, zoals James Acaster aanstipt. Het is nooit iets wat je anderen kunt opleggen. Aan de andere kant, als het goed wordt uitgevoerd, is er niks aan de hand.

Kijk maar naar het voorbeeldje van Nish Kumar in Taskmaster. Als hij herhaaldelijk probeert een bal door een basketbalring te schoppen, scheldt hij de bal uit voor ‘racist’, een duidelijke knipoog naar zijn zeer uitgesproken politieke comedy, waarin racisme vaak een thema is. Het lijkt me niet dat hij met dit grapje zijn antiracistische standpunten ondermijnt. Misschien wel integendeel. En ook, je kunt nog zoveel medelijden hebben dat Acaster is verlaten door zijn vriendin, maar dat ze hem verlaten heeft voor Mr. Bean is, hoe je het ook wendt of keert, ontzettend grappig.

Obsessie met correct taalgebruik

Nou, het gaat over spelling en mensen zijn weer eens helemaal over de zeik. De University of Hull heeft aangekondigd studenten niet meer af te rekenen op spelling, grammatica en interpunctie en (surprise!) dat viel niet bij iedereen in goede aarde (zie hier, hier of hier bijvoorbeeld). Ik durf het bijna niet te zeggen – jawel hoor -, maar ik vind het helemaal niet zo heel gek?

Als ik het goed begrijp, is de redenatie van de Britse universiteit als volgt: als we studenten afrekenen op taalfouten, benadelen we hen met een andere thuis- of schoolachtergrond. ‘Andere’ is in dit geval alles wat niet homogeen, Noord-Europees, wit, mannelijk en elitair is. Of – en dit heeft vaak met elkaar te maken – iedereen bij wie ‘correct taalgebruik’ niet met de paplepel is ingegoten. Als je deze studenten niet wilt benadelen, moet je ze dus niet afrekenen op hun taalfouten.

De golf van verontwaardiging die volgde op het nieuwsbericht, was natuurlijk geen verrassing. Kom je aan de spelling, kom je aan de mensen. Het kan natuurlijk niet dat we zelf ons helemaal te pletter werken om al die onmogelijke regels min of meer te kennen en dat anderen gewoon wegkomen met een fonetisch gokje. Bovendien: een tekst moet toch gewoon begrijpelijk zijn?! Daarvoor moet je goed kunnen schrijven.

Het ligt er wel een beetje aan wat je ‘goed’ noemt natuurlijk. Je hebt ‘goed’ in de betekenis van foutloos en ‘goed’ in de betekenis van ‘begrijpelijk’. Een dt-fout of ‘hun’ in plaats van ‘hen’, is niet ‘correct’, maar levert over het algemeen geen interpretatieproblemen op. Geklooi met aanhalingstekens en onnavolgbare grammaticale constructies daarentegen staan het overbrengen van ideeën in de weg.

Op een universiteit zou het moeten draaien om het niveau van academisch denken en doen. Wie een onderzoek doet, moet kunnen uitleggen wat ie precies gedaan heeft, en wie een essay schrijft, moet de lezer mee kunnen nemen in de redenaties. Daarvoor is het cruciaal dat je helder kunt schrijven, of dat leert. Maar daarvoor is het niet cruciaal dat je je houdt aan de regels van de Groene Boekjes, Schrijfwijzers en Stijlgidsen. Die zijn heus niet totaal nutteloos, maar toch ook zeker niet zo belangrijk als sommigen doen dat ze zijn.

De mensen die op Twitter verontwaardigd spreken van ‘lagere eisen’ en ‘de tirannie van lage verwachtingen’ hechten volgens mij veel te veel waarde aan die spelling, grammatica en interpunctie. Ja, niveau is belangrijk, maar nee, het kennen van de regeltjes is daar niet noodzakelijk voor. Als je dat wel als harde eis stelt, loop je het risico bepaalde groepen uit te sluiten: zij die het inhoudelijke niveau wel hebben, maar nog minder bekend zijn met de heersende normen. Ik zeg ‘nog’, want wie de kans krijgt verder te studeren, meer te lezen en meer te schrijven, zal die normen heus wel leren kennen.

Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik niet precies weet hoe de University of Hull dit gaat aanpakken, en of ze inderdaad dit onderscheid tussen ‘begrijpelijk formuleren’ en ‘correct spellen’ maakt. Het gaat me ook niet om het verdedigen van deze universiteit, want misschien is het wel gewoon een heel dom idee en vergaat daarna de wereld. Het is meer dat ik in de loop der jaren een onredelijke hekel heb ontwikkeld aan mensen die denken dat spelling taal ís. En dat regeltjes inhoud is. En het speelt vast ook mee dat ik op de universiteit regelmatig de kritiek kreeg dat de toon van mijn essays te ‘journalistiek’ was (wat dat dan ook wezen moge!@#$!).

In het tijdschrift Onze Taal merkt communicatietrainer Martijn Jacobs op dat mensen vaak onnodig ingewikkeld schrijven, vooral als ze net afgestudeerd zijn. En uit een onderzoek van Columbia University blijkt dat academici van meer gerenommeerde universiteiten minder complex schrijven en minder jargon gebruiken dan hun collega’s van minder hoog aangeschreven universiteiten. Briljant. Misschien werkt het ook wel andersom; dat het niveau omhoog gaat als je de obsessie met ‘correct’ taalgebruik loslaat.

Over die keer dat ik al mijn goodreadsratings verwijderde (en hoe dat backfirede)

For English, click here.

Het duurde zeker een half uur. Eén voor één klikte ik alle boeken aan die ik ooit op Goodreads als ‘gelezen’ heb aangeduid, ik verwijderde mijn rating, zodat alle sterretjes verdwenen, zette het vinkje bij ‘add to my update feed’ uit, zodat mijn Goodreads-vrienden geen 188 meldingen zouden krijgen, en sloeg de wijziging op. En dat dus bijna 200 keer. Waar nodig zette ik de boeken nog even op de juiste ‘boekenplank’: romans bij de romans, gedichten bij de gedichten. Het was rustgevend om zo door mijn digitale boekenkast te scrollen. Ik luisterde ondertussen muziek, ik dacht weer even aan de boeken die ik las en bovendien voelde het als een daad van verzet.

Vanaf dat ik een account maakte op het boeken-social-medium, heb ik braaf elk gelezen werk voorzien van 1 tot 5 sterren. Gedachteloos, omdat het een optie was, en het compleet voelde. 1 ster gaf ik eigenlijk nooit (wie ben ik om een boek zo kut te vinden?), 5 sterren ook niet (het moet wel speciaal blijven). 2 alleen bij hoge irritatie, 3 vond ik ook maar ingewikkeld. 4 sterren. Ik gaf eigenlijk altijd vier sterren. Omdat ik sterren geven ongemakkelijk vind. Een boek kan je om zoveel redenen wel of niet aanspreken, dat past helemaal niet in een icoontje. En bovendien, ik wil mijn boeken helemaal niet raten. Waarom moet alles beoordeeld? En waarom in vredesnaam door mij?

Nu heb ik dus een ratingloze Goodreads. De boeken staan geborgen in een rijtje. Het voelt goed en opgeruimd. Ik wil niet zeggen dat ik ervan genoot, maar tevreden met mezelf was ik. Tot ik begon aan het boek dat ik nu lees. Nu besef ik dat ik mezelf in de principiële nesten heb gewerkt.

Ik lees Tim Key’s ‘He used thought as a wife’ (wat een titel!) en ik geniet in bespottelijk grote mate. Tim Key is een Britse dichter en comedian en dit boek is een dikke bundeling van gedichten en gesprekken. Het is opgedragen aan ‘all those who got involved with the lockdown’. Een in absurde teksten verpakt verslag van lockdown I, met alle eenzaamheid en gekte van dien. De teksten zijn bij vlagen belachelijk, maar net zo goed grappig en ontroerend. In de aanloop naar de eerste lockdown vraagt zijn moeder ‘Well, are we locking our doors ourselves or are they coming round in a truck and locking us in from the outside with new locks?’

Ik ervaar vreugde bij het lezen. Dat klinkt misschien wat algemeen, maar ‘vreugde’ is volgens mij niet een typische leeservaring. Nu is het vreugde. Ik grinnik vaak hardop, lees veel een tweede keer en heb vaak de neiging stukjes te delen met anderen. Ik deel vrij vaak stukjes met anderen. Ik loop er de hele dag zo’n beetje aan te denken. In principe zou ik zeggen dat niemand zit te wachten op boeken over de lockdown, – ik voel een weeïge afkeer bij elke reclame voor nog een coronacolumnbundel – maar dit boek werkt. Het absurdisme creëert een afstand die lucht geeft. Het wordt er vreemder, maar ook oprechter van. Het is extreem grappig. En een merkwaardig soort troostend.

Qua uiterlijk is het ook erg prettig. De vormgeving is gedaan door de ‘sickeningly talented’ Emily Juniper. Ik houd het boek graag vast. Prachtig design, mooi papier, beste kleur blauw. Ik blader er soms zomaar doorheen. Ik neem het mee van de woonkamer naar de slaapkamer en andersom, ook als ik niet van plan ben erin te gaan lezen.

Mocht ik geen slaaf zijn van mijn eigen literatuurkritische (?) keuze, gaf ik dit boek met volle overtuiging 5 sterren. Waar moet ik nu heen met mijn ziekelijke enthousiasme?

Koop het boek. Word vriendjes op Goodreads.