Spect goon – Op Maarten

Het is gevaarlijk om zo uit te kijken naar een voorstelling. Om toelevend naar de dinsdagavond steeds hogere verwachtingen op te bouwen waaraan – daar ben je je angstvallig van bewust – onmogelijk nog voldaan kan worden. Het risico op een per ongelukke ‘mwah’, misschien het risico dat er iets van je afgepakt wordt. Dat risico moet je soms nemen.

‘Op Maarten’, in De Kleine Komedie. Egon Kracht, Marcel de Groot, Wilko Sterke, Paul de Munnik, Lucretia van der Vloot, Jan-Paul Buijs, Jeroen Zijlstra en Hans Sibbel proostten ruim vijf jaar na zijn dood op het leven en werk van Maarten van Roozendaal. Een eerbetoon in liedjes en verhalen, dat hij verdient en dat wij nodig hebben. Wat. Een. Avond.

Die band. Egon Kracht op contrabas en Marcel de Groot op gitaar: een aangrijpend vertrouwd geluid. Eén akkoord, één basloopje spelen ze, en je weet precies welk nummer het is, – je schrikt even dat het dus zonder Maarten – je gaat op in de muziek. Wilko Sterke op piano en saxofoon sluit daar naadloos bij aan. Ze dragen de avond.

Die zangers. Natuurlijk, het zijn goede zangers, dat wist ik van tevoren ook. Maar dat ze met zoveel concentratie en gepaste eigenheid de liedjes konden brengen, overdonderde totaal. Ze leken allemaal een stukje van Maarten. Zijn bravoure, zijn timing, zijn grijns. En ondertussen straalden ze van respect, ze wáren niet Maarten, ze waren grote bewonderaars van Maarten, die er nog niet aan zouden denken om zijn liedjes met de Franse slag uit te voeren.

En dan, die zaal. Er is natuurlijk geen betere plek voor een toost op Maarten dan De Kleine Komedie. Daar waar hij avonden lang speelde, aan de bar hing, en waar nu een prachtig portret hangt. De voltallige 502 bezoekers-tellende zaal kolkte van liefde.

Het was zo’n mooie avond, ik wist niet wat ik ermee aan moest. Ik had het gevoel dat de woorden nu echt op waren. Het is gevaarlijk om iets te schrijven over een avond die je zoveel doet. De kans dat je precies opschrijft wat je bedoelt, is nihil. Maar ik neem het risico graag. Gijpje wat ik doel, gijpje?

Mijn rijbewijs

“Heb je je rijbewijs al?” vroeg iemand. Nog los van de inhoud (nee juh, ik vond een skelter al lastig, ik houd van treinen, ik woon in Amsterdam), moest ik lachen om deze zin.

De meeste mensen die willen weten of je bevoegd bent om te rijden, stellen de vraag precies zo. Of je ‘je rijbewijs al’ hebt. Er is iets vreemds met die zin aan de hand.

Sowieso het ‘al’. ‘Al’ suggereert dat – als het niet al zo is – het sowieso nog gaat gebeuren. En de bedoeling is. Vergelijk: “Heb je die man vermoord?” En: “Heb je die man al vermoord?” Terwijl, wie weet neem ik wel nooit autolessen, of ik haal ik nooit m’n examen.

Maar, eerlijk is eerlijk, ‘al’ kan ook weg. Mensen zeggen ook: “Heb jij je rijbewijs?” Is nog steeds vreemd. Want het echt vreemde is het ‘je’ van ‘je rijbewijs’. Dat zeggen de meeste mensen. In de niet-representatieve steekproef die mijn leven is, hoor ik significant meer mensen spreken over ‘je/mijn’ rijbewijs dan over ‘een’ rijbewijs. Ook als er van dat hele rijbewijs helemaal geen sprake is.

Voor mij klinkt de vraag “Heb je je rijbewijs al?” toch een beetje alsof het ding in een la van een middelgroot gemeentehuis voor me klaarligt. Voor-, tweede en achternaam erop, pasfotootje erbij, te wachten op het moment dat ik toch eindelijk eens slaag voor m’n rijexamen en het aan mij overhandigd kan worden.

Het maakt het ook een beetje sneu dat ik geen aanstalten maak tot rijlessen. Mijn rijbewijs ligt daar maar. Raakt steeds verderop onderop. Tot ze aan het eind van mijn leven moeten concluderen dat het daar al die tijd voor niks lag. “Ze heeft haar rijbewijs nooit gehaald.”

Liefde, dood en zwaartekracht

Het zal niet anders zijn dan dat Peter van Rooijen maandagavond overladen is met complimenten. Hij speelde zijn voorstelling ‘Liefde, dood en zwaartekracht’ in De Kleine Komedie in Amsterdam. Toch ga ook ik nog even iets schrijven. Niet omdat ik denk dat mijn mening belangrijker is dan die van zijn dierbaren, of van de recensenten, maar omdat ik vind dat het vaker gezegd moet. En ik het niet kan laten.

Oké, waar zal ik beginnen. Het was op zich geen verrassing voor me dat hij als tekstschrijver steengoed is. Hij heeft eerder een prachtige cd gemaakt en ik zie hem regelmatig bij Het Nieuwe Lied. Ik heb erg veel bewondering voor de zorgvuldigheid van zijn woorden. Ze zijn echt nooit cliché, nooit vergezocht en nooit pathetisch. Ze lijken bijna vanzelfsprekend, terwijl ze ondertussen heel nauwgezet een situatie, sfeer en gevoel neerzetten. Een meervoudige sfeer meestal. Liefdevol maar een beetje wrang, grappig maar een beetje tragisch. Zo is de zin ‘En het hondje likt het raam’ tegelijkertijd simpel en alleszeggend.

Gisteren las ik toevallig een artikel van Ellen Deckwitz waarin ze ingaat op het vaak verzuchte ‘waarom zeggen dichters niet gewoon wat ze bedoelen?’ Nee, zegt zij, dichters zeggen niet ‘gewoon’ wat ze bedoelen, omdat ze precíes zeggen wat ze bedoelen. Dat geldt ook voor Peters teksten.

Maar liedjes zijn niet alleen tekst. Liedjes zijn ook muziek. Daar heb ik minder vocabulair voor, behalve dan dat ze, nou ja, erg mooi zijn. Op een of andere manier krijgt hij het voor elkaar dat ze de tekst exact ondersteunen en aanvullen. Dat ze allemaal anders zijn, en precies kloppen.

Dat ik dit alles eigenlijk al wist, deed niet af aan mijn omvergeblazenheid van maandagavond. Dat komt door de vorm. In deze vorm, met deze arrangementen, deze band, en, niet te vergeten, dit lichtplan, krijgen de liedjes de volheid en nuance die ze verdienen. En de presentatie die Peter verdient.

Ik was deze blog een beetje vergeten, maar toen ik maandagavond thuis kwam zat mijn hoofd er zo vol van dat ik het als vanzelf opschreef. Het was even nodig.

Foto: Jaap Reedijk
Luister hier zijn cd op Spotify

Er is een man gebroken

Er is een man gebroken
Niet heel ver hiervandaan
Op een bewolkte donderdagmiddag
Het zou bijna sneeuwen gaan

Het was op straat
Daar waar de Ferdinand Bol kruist met de Albert Cuyp
Precies daar is een man gebroken
Het was nauwelijks te zien van buiten

Er waren mensen, genoeg mensen
De verkoper van de bloemenkraam
Het meisje dat een meter later
Voor hem aan de kant zou gaan

De man in pak die belde
Zij met de ratelende fiets
Maar dat een man daar zomaar brak
Niemand merkte iets

Daar waar de Ferdinand Bol kruist met de Albert Cuyp
Wordt nog onaangedaan gelopen
Maar wie het weet, zal altijd voelen
Hier, hier is een man gebroken

De wet van Pikachu

Vroeger mocht ik nooit naar Fox Kids kijken. En ook niet naar Jetix, toen het zo ging heten, of Disney XD. Als ik tv keek, keek ik naar de programma’s van Z@ppelin, op Nederland 3, of naar het Belgische Ketnet. Dat was niet vanuit een pedagogische overtuiging van mijn ouders, ze vonden alle nagesynchroniseerde programma’s gewoon te veel lawaai.

Erg veel leed ik niet onder de regel. Ik zag dan misschien geen Shin Chan, Rocket Power of What’s with Andy, ik keek mooi wel naar Knofje, Otje en Bruine Beer in het Blauwe Huis. Toptijd was het. Op school werd ik niet buitengesloten door het verbod, aantoonbare psychische schade heb ik er ook niet aan overgehouden.

Maar. Natuurlijk komt er nu een maar, want met alleen een verhaal over een gelukkige jeugd zijn we er niet. Er is één reden waarom ik op mijn 23ste nog steeds last heb van de zo verantwoorde televisieopvoeding van mijn ouders. En die reden is Pokémon. Ik keek dus ook geen Pokémon. Dat vond ik niet erg, want als ik het bij vriendinnetjes zag vond ik Pokémon stom, maar verder heeft de hele wereld wél Pokémon gekeken. En dat is niet zonder gevolgen gebleven.

Er blijkt zoiets te bestaan als De wet van Pikachu. Die naam heb ik zelf bedacht. Het mechanisme eronder berust op jarenlange observatie. Het is zoiets als De wet van Godwin (as an online discussion grows longer, the probability of a comparison involving Nazis or Hitler approaches 1), maar dan ongezelliger voor mij. Hij luidt als volgt:

Naarmate gesprekken op feestjes langer duren, nadert de waarschijnlijkheid van het gespreksonderwerp ‘Pokémon’ 1.

Hoe het kan, weet ik niet. Misschien zijn mensen krankzinnig geworden door jarenlange blootstelling aan Fox Kids. Plausibel wel. Of misschien beginnen mensen in langdurende gesprekken koortsachtig te zoeken naar dat ene dat ze sowieso gemeen hebben. Feit is dat ik vanaf dat moment niet meer mee kan doen aan het gesprek. Het niet kennen van Pikachu creëert een hiaat tussen mij en mijn generatie. Zij kennen Pikachu, ik ken Otje.

Ik begreep dan ook niks van de krijg-het-Pokémon-liedje-in-de-top2000-hype, de Otje-soundtrack daarentegen zingen wij Fox Kids-lozen woordelijk mee. Hij doet het niet waowao, hij doet het niet waowao, dát zou een mooi plekje in de lijst der lijsten moeten krijgen.

Pols gebroken

Pols gebroken | Wat ik ontdekte dat in meer of mindere mate lastig is met één hand

Douchen, neus snuiten
Ctrl alt delete
Cadeaus inpakken, eitjes bakken
Bladeren in een boek

Paprika’s snijden en avocado’s
Jeuk aan je rechter schouderblad
Iets uit je linker broekzak halen
Applaus

En, het drama ook niet overdrijven
Rug afdrogen
Pleisters plakken
Scripties schrijven

Door het bos de bomen

Iemand had mij gevraagd een column te schrijven. Het moest gaan over Nederlandstalige liedjes, want daar zijn er veel van en ik luister ze graag. Degene die het me vroeg zat bij een vereniging in Groningen waarvan de leden er prat opgingen dat ze niet van Nederlandstalige muziek hielden. Gewoon niet. Tussen Frans Duijts en Paul de Munnik maakten ze voor het gemak geen onderscheid. Dat er muziek zou kunnen bestaan die ze niet kenden, kwam niet in ze op. Voor hen was het Nederlands geen taal die ze zelf spraken, maar een genre, dat stond voor slechte smaak, bekrompenheid en woorden die onmogelijk poëtisch konden klinken. De meeste van hen studeerden een vreemde taal of volgden hun studie toch op zijn minst in het Engels. Zij waren mannen (m/v) van de wereld en lieten dat graag merken middels hun volhardende doch naïeve minachting voor het Nederlands.

En of ik ze even wilde vertellen dat ze fout zaten. Wilde ik wel. Ik wil graag uitleggen dat het raar, onnodig en vooral ook een beetje zielig is je eigen moedertaal zo te verachten. Dat de aanname dat de ene taal in essentie mooier is dan de andere, een misverstand is. Dat je net zo goed mooie, grappige, verrassende of ontroerende teksten kunt schrijven in het Nederlands. Met voorbeelden, veel voorbeelden. En dat het belangrijk is jezelf en je land niet te serieus te nemen, maar dat je in dezelfde val trapt als je zonder enkele ironie alles wat Nederlands is per definitie veracht.

Dat schreef ik allemaal op. In mijn laatste zinnen vatte ik samen dat het van een vreemd soort arrogantie is om open te staan voor de volledige brei aan anderstalige muziek, maar eventuele Nederlandstalige parels per definitie geen aandacht te gunnen. ‘Dan zie je’, zo schreef ik op, ‘door het bos de bomen niet meer.’

Ik geef toe, de nieuwe Drs. P. ben ik niet, maar ik vond het zelf best leuk gevonden. De redactie van het verenigingsblad dacht daar anders over. Of meer voor de hand liggend, dacht daar überhaupt niet over. Zonder met mij te overleggen verbeterden ze de zin naar ‘Dan zie je door de bomen het bos niet meer.’ Weg grapje. Weg betekenis. Weg mijn zo zorgvuldig geconstrueerde betoog.

Sindsdien heb ik het min of meer opgegeven andersgestemden met argumenten te overtuigen van hun ongelijk. Alleen de guerrillatactiek wil ik nog wel eens gebruiken, door anderen onverwacht te confronteren met een mooie zin. Ik ben zo moe, pak jij even mijn biezen? BAM.

Bij nader inzien – Kwestie Gijp

Ik heb er nog even over nagedacht, en ik wil toch iets schrijven over wat in mijn hoofd inmiddels ‘Kwestie Gijp’ heet. Over René van der Gijp die bij Voetbal Inside voor de grap deed alsof hij voortaan als vrouw door het leven ging, en vooral over de discussie die daarna ontstond. Het is niet dat ik per se de tienduizendste wil zijn met een mening, maar er zijn volgens mij een paar punten in de discussie die van belang zijn. Bij nader inzien wil ik dat toch kwijt. Het is geen gestructureerd betoog. Wel negen punten.

Punt 1: Vooraf

Laat ik vooropstellen dat ik René van der Gijp een gigantische lul vind. Ik vind het van geen enkele smaak getuigen om een zo kwetsbare groep in het algemeen (transgenders) en zo’n kwetsbaar persoon in het bijzonder (Bo van Spilbeeck) belachelijk te maken. Dat is mijn korte mening.

Punt 2: Maar vrijheid van meningsuiting

Er is een belangrijk onderscheid tussen wat ik vind dat je mag zeggen (eigenlijk alles, zolang je de ander niet fysiek bedreigt) en wat ik vind dat je moet zeggen (veel minder, want rekening houden met kwetsbare groepen). Ik vind dat René van der Gijp de grap mocht maken. Maar ik vind ook dat hij het niet had moeten doen. Dat sluit elkaar niet uit. Het discussieverloop ‘Wat een misselijkmakende grap!’ ‘Maar vrijheid van meningsuiting’ is raar, want de uitspraken gaan niet op elkaar in. Volgens mij kun je los van de vraag of iets mag, heel goed bediscussiëren of iets fatsoenlijk is. Het oordeel ‘niet-fatsoenlijk’ mag echter nooit de reden zijn de vrijheid van meningsuiting in te perken, of de uiting op een andere manier taboe te verklaren.

Nota bene, ik vind de term ‘fatsoenlijk’ moeilijk en lelijk. Maar ik weet niet goed hoe ik anders het onderscheid moet noemen.

Punt 3: Vrijheid van kwaad worden

Bovendien, het feit dat iemand de vrijheid heeft (en moet hebben) om kwetsende grappen te maken, houdt ook de vrijheid van anderen in om daar keihard tegenin te gaan. Dat heel progressief Nederland nu woedend over Van der Gijp heen valt is net zo goed toegestaan. En terecht.

Punt 4: Waarom ik vind dat hij de grap niet had moeten maken

Goede grappen maak je over mensen in hoge posities. Machtigen, meerderheden, mensen die er zelf voor gekozen hebben in een publieke functie te verkeren. Het heeft een functie hen te relativeren, te nuanceren, en zij kunnen het hebben. Grappen maak je derhalve niet ten koste van kwetsbare groepen, die het moeilijk hebben en die bovendien geen platform hebben om zich te verdedigen. Transgenders zijn een gigantische kwetsbare groep. De acceptatie is nog ver te zoeken, het aantal transseksuelen met suïcidale gedachten is hoog. Het heeft geen functie hen en hun problemen te relativeren. Het is wellicht grappig voor een paar mensen, maar pijnlijk en naar voor anderen. Anderen nodeloos pijn doen, dat doe je niet. Comedian Ricky Gervais heeft vaak gezegd: ‘It all depends on who’s the target of the joke. The bully or the one being bullied?’ (Met dank aan @floorbakhuys voor de quote bij dit inzicht.) 

Punt 5: De luizenmoeder

In de Kwestie Gijp is er weinig twijfel over het doelwit van de grap (althans, zie punt 7), maar in andere gevallen is het lastiger. Een veelgehoord argument van Gijp-verdedigers afgelopen week was ‘Maar waarom mag politiek incorrecte humor in De luizenmoeder wel en in VI niet?’ Met daarin, voor mij, doorklinkend: waarom rechtse RTL-presentatoren niet en linkse NPO-makers opeens wel? Ik begrijp die verontwaardiging. Maar, de analyses die De luizenmoeder politiek incorrecte humor toeschrijven, gaan voorbij aan het onderscheid in punt 4. De grappen gaan daar niet over minderheden (de donkere homo, het geadopteerde kind ‘met die oogjes’), maar over de mensen die daar in, in al hun onhandigheid, racistisch of anderszins uitsluitend mee omgaan (Juf Ank). Waarmee het doelwit van de grap faliekant anders is. (Wederom dank aan @floorbakhuys.)

Punt 6: Interpretatie

Wie of wat het doelwit van een grap is, is soms lastig te achterhalen. Dat maakt het moeilijk. Gaat het hier alleen om de intenties van de maker, of speelt de interpretatie ook een rol? Met andere woorden: wat als een deel van het publiek De luizenmoeder leuk vindt om de racistische grappen en voorbij gaat aan de diepere boodschap?

Punt 7: Al die toleranten

Wie is het doelwit precies van de grap van Van der Gijp? In de uiteindelijke grap zijn dat transgenders, of misschien Bo van Spilbeeck alleen. Zij worden geraakt (en gekwetst) door de grap, wat precies de reden is dat ik vind dat Van der Gijp de grap niet had moeten maken. Maar volgens mij komt de grap wel voort uit het afzetten tegen een wel degelijk machtige groep, namelijk de linkse,  hoogopgeleide, progressieve en o zo ruimdenkende intellectuelen. Zij die er te koop mee lopen verschrikkelijk tolerant te zijn tegenover bijvoorbeeld homo’s en transseksuelen. Die dat allemaal maar begrijpen. En die in het geval van een intolerante opmerking of grap onmiddellijk reageren met een opgeheven vingertje. Vaak verontwaardigd en diep beledigd. Voor de goede orde: ik ben zo iemand. En ik vind de boze reactie van ‘ons’ op intolerante uitingen verschrikkelijk terecht. Maar ik snap ook de afkeer van anderen, die langzaam het gevoel krijgen niks meer te mogen zeggen. Er zijn nu eenmaal mensen die moeite hebben met het idee van transgenders, die het moeilijk vinden om te begrijpen. En hoewel ik vind dat dat nooit mag resulteren in een grap die minderheden pijn doet, snap ik dat er grappen gemaakt worden die de spanning tussen hen en de tolerante vingertjes ontladen. De beschuldiging dat dergelijke grappen puur en alleen voortkomen uit diepe haat tegen iedereen die anders is, lijkt me daarom iets te kort door de bocht. (Ik zie nu dat Paulien Cornelisse een soortgelijke gedachte mooi en helder formuleert in haar column.)

Punt 8: Wel lachen

Ik vraag me af hoe en of mijn oordeel over of een grap wel of niet kan (dus los van vrijheid van meningsuiting) afhangt van hoe leuk de grap is. Als het een goede grap is, kan er dan meer? Of is dat inherent aan elkaar verbonden en kan ik per definitie niet lachen om een grap die ik in de kern ongepast vind?

Punt 9: Conclusie

Ik zou graag een conclusie schrijven, maar ik heb geen conclusie. Mijn belangrijkste punt: qua vrijheid van meningsuiting mag alles, maar dat geeft de tegenpartij het volste recht om er superkwaad op te reageren en het fatsoen van de ander aan de orde te stellen. Nooit echter om een uitspraak te bieden of taboe te verklaren. De vraag waar ik mee blijf zitten is hoever die kwade reactie mag gaan. Kun je zeggen dat VI van de buis moet? Oproepen tot een boycot? Moeten zenderbazen met Van der Gijp gaan praten? Moeten investeerders zich terugtrekken? Ik weet het niet.

Gijp is een lul. Dat boven alles. Maar dat is niet het enige waar mijn mening uit bestaat. Helaas passen de overige 1176 woorden niet ook in een tweet.

Ik overweeg een rubriek te beginnen met de titel ‘Bij nader inzien’, waarin ik gewoon standaard begin met ‘Ik heb er nog even over nagedacht’ en dan net iets te laat reageer op actuele kwesties. De vraag is of mijn drang dingen te zeggen die me van belang lijken het wint van het belang dat ik hecht aan vrijheid van meningsverzwijging. We zullen zien.

Alsof er niets is gebeurd

Vallen de grachten door de sluizen
En wie valt doet niet meer mee
De rivier draagt, als domme kracht
Het water naar de zee
Alsof er niets is gebeurd
Uit: Alsof er niets is gebeurd – Maarten van Roozendaal

Het is moeilijk als mensen doodgaan. Vooral als het mensen zijn die je kent. Maar ook als het mensen zijn die helemaal niet kent. Kende. Eberhard van der Laan was zo’n man die ik niet kende en doodging.

Op de ochtend van 7 oktober zag ik het in een NOS-pushmelding en ik schrok. Ik twijfelde even of dat wel terecht was, maar het was al gebeurd. Ik wist dan niet wie hij was precies, maar wel dat hij veel voor mensen betekende. Dat hij zo lief, een verbinder, zoveel hield van de stad en de stad van hem.

Ik had geen tranen bij de gedachte aan zijn toch nog plotselinge dood. De brok ik mijn keel kwam toen ik de vlag op het gemeentehuis in de storm halfstok zag wapperen. En op de pontjes. En op zomaar een woonhuis weer. En vooral bij de aanblik van de stad eronder die gewoon doorraasde. Met bellende fietsers en – zo stelde ik mij voor – een jongen die op een bakfiets oude wasmachine meenam.

En dan had je Twitter. Rutte had iets gezegd en mensen hadden staan zingen voor de ambtswoning. De NOS had iets pompeus geschreven. Mensen vonden het maar overdreven. En hoewel ik dat ontzettend goed begreep, werd ik toch een beetje boos. Je neemt mensen hun plezier niet af. Maar zeker niet hun verdriet.

Stemvorkwoorden

Oké, ik moet het toegeven, er waren dingen die ik als kind geloofde waar ik nu wel eens mijn twijfels bij heb. Sinterklaas bijvoorbeeld. Dat mijn vader het nummer van Beatrix in zijn telefoon had. Dat mijn opa en oma beschikten over iets met de naam ‘poeperoetsj’ waar ik mee te maken kon krijgen als ik me niet gedroeg. Maar ik was niet achterlijk. Er waren dingen die te ver gingen. Waar ik, in tegenstelling tot mijn leeftijdsgenoten, het complot doorzag.

Een van mijn heldere moment was tijdens de muziekles in groep vijf. Samen met meester Yme studeerden we liedjes in. I like the flowers, Fietsie foetsie is mijn fietsie, dat soort werk. Elke keer voordat we een lied inzetten, haalde hij een metalen voorwerpje tevoorschijn waarmee hij op de tafel tikte en dat hij vervolgens bij zijn oor hield. Hij keek er heel geheimzinnig bij. Met het ding kon hij horen op welke toon hij moest beginnen.

Haha. Daar trapte ik dus niet in. Ik moest erom lachen dat de andere kinderen in de klas het geloofden, want hier was ik toch net een tikkeltje te pienter voor. Een stemvork. Alleen de naam al maakte het niet bijster geloofwaardig. Je kunt de zee niet in een schelp horen en al helemaal geen muziek in een metalen stokje.

Och, wat vond ik mezelf scherpzinnig.

Nog steeds kom ik zo nu en dan tot zo’n ontdekking. Blijkt iets opeens echt te zijn, terwijl ik altijd heb gedacht dat het thuishoorde in de categorie kabouters, lurven, Sint Juttemis. Tadzjikistan bijvoorbeeld. Is dus echt een land. Bacillen, is helemaal geen door kleuters verzonnen woord. Aeroflot is daadwerkelijk een luchtvaartmaatschappij. En pas toen de kranten op 24 april dit jaar meldden dat Chriet Titulaer was overleden, kwam ik erachter dat dat toch geen typetje van Koot en Bie was, maar een onvervalst mens mét een carrière en zonder plakbaard.

Ik houd een lijstje bij met dit soort zaken. Het lijstje groeit gestaag. Ik noem het mijn stemvorkwoorden.