Even naar de Kruidvat: een generatiekloof

Je vraagt je waarschijnlijk af wat een Neerlandicus doet met haar vrije tijd in lockdown. Het antwoord: nadenken over lidwoorden en winkels. Doorgaans vindt dat plaats tussen 15:30 en 16:00, vlak na het aandachtig bestuderen van het woordenboek, en nog voor het vereren van het Kofschip. Tijdens dit nadenken over lidwoorden en winkels kwam ik tot een ontdekking: er is sprake van een generatiekloof.

Het zaadje van deze ontdekking werd al eerder geplant. Veel eerder, nog voor de lockdown. Toen hoorde ik mijn moeder de belachelijke uitspraak doen dat ze naar ‘het Kruidvat’ ging. Ik was ontsteld, wie zegt er nou ‘het Kruidvat’? Ik was ervan overtuigd dat iedereen ‘de Kruidvat’ zegt. Zij op haar beurt was ontsteld over mijn ontsteltenis, het is immers ‘het vat’, dus ook ‘het Kruidvat’. En in het merkwaardige geval dat je niet voor ‘het’ zou gaan, dan maar helemaal geen lidwoord. ‘Ik ga naar Kruidvat’ dus. Dat vond ik zo mogelijk nog dommer klinken.

Nu ben ik erg voor taalvariatie, maar niet als ik mijn gelijk wil halen. Dus ik kwam met mijn favoriete troef: bejaard! Je bent gewoon bejaard. Ik testte het met nog een paar andere winkels: ‘Albert Heijn of de Albert Heijn?’ ‘Intertoys of de Intertoys?’ Mijn moeder bleek opzienbarend weinig gek te vinden aan de lidwoordloze variant. In principe is dat logischer, Kruidvat, Albert Heijn en Intertoys zijn namen, daar hoeft geen lidwoord voor. Je zegt ook niet ‘Ik ga op bezoek bij de Frederike’. Toch bleef het mij onophoudelijk oud in de oren klinken.

Om mijn vermoeden van een generatiekloof te testen, heb ik een enquête gemaakt. 135 mensen vulden de korte vragenlijst in, waarbij ze voor verschillende winkelnamen de keus kregen: met of zonder lidwoord. Belangrijkste conclusie: ik ken opvallend weinig mensen tussen 36 en 45 jaar. Op één na belangrijkste conclusie: de meningen zijn verdeeld. Geen enkele vraag leverde een unaniem antwoord op.

Toch zijn er wel een aantal kwesties waarbij de groep eensgezind is. We zeggen ‘ik ga naar de Gamma’ en ‘ik ga naar de Jumbo’, maar ‘ik ga naar Van der Linden’. De meest voor de hand liggende verklaring is bekendheid: hoe bekender een winkel, hoe sneller je een lidwoord toevoegt. Waarschijnlijk omdat je niet meer doelt op de naam, maar op de winkel zelf. Je zegt ‘de supermarkt’, dus ook ‘de Jumbo’.

Maar dat kan niet alles zijn, want waar mensen het eens zijn over Jumbo, wordt bij Albert Heijn soms ook het lidwoord weggelaten. Meer dan een kwart van de respondenten geeft de voorkeur aan ‘ik ga naar Albert Heijn’, terwijl de Albert Heijn niet per se onbekender is dan de Jumbo. Misschien ligt het aan de lengte, dat je bij een langere naam sneller een lidwoord weglaat. Iemand merkt op dat ze naar ‘Albert Heijn’ gaat, maar naar ‘de Appie’. Of het is de ‘naamachtigheid’ van de winkel. Albert Heijn is immers veel duidelijker een naam dan Jumbo. En het lijkt er ook op dat mensen bij ‘Van der Linde’ overtuigder het lidwoord weglaten, dan bij Schaak en Go of Dille en Kamille.

Bekendheid, lengte en naamachtigheid lijken dus allemaal mee te spelen in onze keuze voor wel of geen lidwoord. Maar hoe zit het met die veronderstelde generatiekloof? Voor het gemak heb ik de groep verdeeld in mensen tot en met 35 jaar en boven de 35 jaar. Kortom: jong en oud. Ik leef mee met die 36-jarigen die door mijn willekeur plotseling in de categorie ‘oud’ belanden; probeer het te zien als een bijdrage aan de taalkunde. Want well, well, well, moet je nu toch eens kijken.

Waar over Jumbo en Van der Linde nog eendracht was, blijken Albert Heijn en Dille en Kamille de generaties te splijten. Iemand reageerde, ‘Mijn moeder (55) probeert me al sinds mijn tienerjaren te overtuigen geen lidwoord te gebruiken’. De getallen bevestigen dit tragische beeld. De meerderheid van de jongere respondenten kiest voor ‘de Albert Heijn’, terwijl de oudere groep liever ‘Albert Heijn’ zegt. En zelfs bij Dille en Kamille, waar beide groepen gemiddeld de voorkeur geven aan geen lidwoord, kiezen de jongeren er significant vaker voor om toch ‘de’ toe te voegen.

En ook de beschuldiging aan mijn moeder (‘je bent bejaard want je zegt ‘het Kruidvat’) blijkt ergens op te slaan. De oudere groep zegt inderdaad vaker ‘het Kruidvat’, de jongere vaker ‘de’. Weglaten van het lidwoord doen in beide groepen maar een paar. Ik geef toe, dit is een vrij omslachtige manier om mijn gelijk te halen, maar mam, lees je even mee?

Wie had dat gedacht, dat lidwoorden en winkels een ware generatiekloof zouden aanduiden. Hoe jonger, hoe meer kans op lidwoord, zo blijkt. Over het waarom heb ik geen idee. Zoals men hoort te zeggen na het bedrijven van de wetenschap: meer onderzoek is nodig!

Voor optisch hapklare uitkomsten (cirkeldiagrammen) en de precieze cijfers, klik hier. Ik snap natuurlijk dat je geen echte conclusies kunt verbinden aan een snel in elkaar geflanst onderzoekje met 135 respondenten uit mijn eigen kennissenkring. En dan ook nog eens geïnterpreteerd door iemand die precies niks van statistiek weet. Mocht iemand dit serieus gaan onderzoeken, houd me alsjeblieft op de hoogte.

Ik zeg het nog één keer: ik ben geen taalnazi

Ik ben geen taalnazi. Ik snap dat ik als Neerlandicus én docent Nederlands de schijn tegen heb, dus ik zeg het nog maar een keer: ik ben geen taalnazi. Je hoeft je niet te verontschuldigen als je soms ‘als’ en ‘dan’ door elkaar haalt. Ik wens níet op feestjes aangeklampt te worden met een betoog over hen en hun. Laat dat samenzweerderige toontje maar zitten als je het over ‘me’ en ‘mijn’ hebt. Van harte gefeliciteerd dat jij de regels kent, maar laat me met rust.

Ik ben van de ‘taal verandert nou eenmaal’-school. Me in plaats van mijn? Efficiënt juist. Hun in plaats van zij? Over vijftig jaar is het de norm. Tag me dus ook niet in die Facebookpost over hoe je ‘sowieso’ schrijft. Ik word een beetje naar van de comments daar. Veel kotsemoji’s en veel superioriteitsgevoel. Terwijl, als jouw liefde voor taal bestaat uit het kennen van de spellingregels, heb je een leeg leven. Aaf Brandt Corstius schreef er lang geleden een rake column over in de Volkskrant: “alleen ontalige mensen ergeren zich aan ‘me jas’”.

Niks ten nadele van deze tweet trouwens, ik vind ‘zofiezo’ ook grappig. Maar alles ten nadele van sommige comments.

Géén taalnazi dus. Taalnerd, daarentegen, absoluut. Als jij die ene procent bent van de mensen die op een feestje noch de ‘oh sorry ik was altijd slecht in dt’- benadering kiest, noch de ‘oeh vind jij het ook zo kut als mensen ‘irriteren’ verkeerd gebruiken’-benadering, dan heb je aan mij een goeie. Zeker als daarvoor iets taalenthousiasts in de plaats komt. Iets over de 48 naamvallen van het Tabassaran of zo, de stijlregisters van het Javaans, de tonen in het Punjabi. Of desnoods de verwondering over ‘hun hebben’, waar zou het vandaan komen? Waarschijnlijk kom je de rest van de avond niet meer van me af en waarschijnlijk ben ik ook verliefd op je geworden.

Disclaimer voor alle leerlingen die denken een weg gevonden te hebben naar een hoger cijfer en/of mensen die mijn professionaliteit in twijfel willen trekken: ik leg het kofschip en zo wel uit hoor. Ik denk dat het belangrijk is om te leren je goed uit te drukken, en daar horen af en toe regels bij. Ik wil dat mijn leerlingen een goede e-mail kunnen sturen. Ik wil dat ze serieus genomen worden als ze een sollicitatiebrief schrijven. Maar als ik een leerling ‘hij wilt’ hoor zeggen, moet ik niet kotsen. ‘Not judging your grammar, just analyzing it’, staat er op de sticker op mijn agenda.

Naar aanleiding van dit stukje schreef Matthijs een gastcolumn: “Hello. My name is Matthijs and I’m a recovering Taalnazi.

“Want corona”

Hoe corona onze taal heeft beïnvloed

Het jaar van corona. Het kan niet anders dan dat 2020 op die manier de boeken ingaat. Want hoeveel er ook is gebeurd (bosbranden, Beiroet, Biden, dingen met andere letters), corona was er altijd bij. Corona heeft een enorme impact gehad op de gezondheidszorg, de politiek, het persoonlijk leven van mensen, en ook: op de taal. Corona heeft onze taal veranderd.

Natuurlijk zijn er talloze nieuwe woorden ontstaan (anderhalvemetersamenleving, mondkapjesplicht, ellebooggroet), of woorden van jargon tot algemeen bekend geworden (besmettingsgraad, thuisquarantaine). De spellingscontrole zet nog onder de meeste van deze woorden een rood kringeltje, maar lang kan dat niet meer duren. Het Coronawoordenboek van de Taalbank geeft een bonte verzameling van bekende neologismen (corona-app) tot minder gebruikte coronawoorden (blotesnoetenland). Maar de veranderingen in de taal gaan verder dan de woorden.

The Big Rona
Corona. Corona. Corona. Als je niet al gek zou worden van de grote effecten ervan op samenleving, zou je wel gestoord raken van hoe vaak je het woord hoort. Misschien is het daarom dat mensen op zoek gaan naar alternatieven. In september appte een vriendin me: ‘Alleen verkouden of Rona denk je?’ Ik zie vaker dat soort ‘nicknames’ langskomen. Big Rona, the old Rona, (de) coroon, coroni, cor, roni.

Eerst werd ik een beetje ongemakkelijk van het contrast tussen de serieusheid van de ziekte en de speelsheid van de woordjes. Alsof de ernst van de situatie totaal ondermijnd werd. Maar daarin zit ook de kracht. Als het op 17 november precies een jaar geleden is dat de covidgeval ontdekt werd, schrijft iemand op Twitter: ‘Mooi uitgedost voor Miss Rona’s big birthday bash!’ Iemand anders beschrijft hoe ze op zoek was naar een baan, ‘but old rona has other plans lol’. Hier wordt de taal gebruikt om dat allesbeheersende corona even te relativeren tot een koddig begrip.

https://twitter.com/Bri_Elyse1/status/1263902750439587850?s=20

Het Irma-effect
Het gifje van Irma Sluis, waarin ze het woord ‘hamsteren’ vertolkt, heb ik volgens mij wel honderd keer voorbij zien komen. Bij de persconferenties was opeens een gebarentolk aanwezig, tot grote vreugde van velen. Vreugde van doven en slechthorenden, uiteraard, omdat dit als grote erkenning voelde voor bestaan en hun taal, maar ook vreugde van de rest van Nederland. De populariteit van gebarentolk Irma Sluis steeg tot zulke hoogte dat het internet niet uitgepraat raakte toen ze een keer afwezig was. Op social media werden gifjes gedeeld van leuke vertolkingen.

Op die bijna hysterische lol van velen kwam ook begrijpelijke kritiek. Irma en haar collega’s doen immers gewoon hun werk, en de Nederlandse Gebarentaal is geen gimmick, maar een echte taal. Toch heeft de populariteit veel goeds opgeleverd. Eindelijk is er een wet in de maak die de Nederlandse Gebaren officieel erkent, en de opleiding tot gebarentolk, die al jaren kampt met grote tekorten, kreeg maarliefst 42% meer aanmeldingen. Het Irma-effect, wordt het genoemd.

Sinds corona
Tenslotte is ‘in tijden van corona’, ook de betekenis van het woord corona zelf veranderd. Het begon ermee dat het bekend werd als naam van een ziekte. De officiële naam is uiteraard COVID-19 (Coronavirus Disease 2019), maar in het dagelijks taalgebruik lijkt corona de populariteitsstrijd gewonnen te hebben. Niet gek ook, want het is makkelijker en korter, en de kans dat iemand in verwarring is over wélk coronavirus je nou bedoelt, of dat je het misschien over het bier hebt, is nihil.

Daarnaast is de betekenis van het woord enorm verruimd. In het begin verwees corona alleen nog naar de ziekte, maar dat is inmiddels niet meer het geval. Nu hoor je mensen dingen zeggen als ‘het is corona’ of ‘sinds corona was ik mijn handen veel vaker’. Corona gaat daar niet over de ziekte, maar het verwijst naar de invloed die het virus op onze maatschappij heeft. Dat zie je ook aan woorden als coronababy, coronacorpulentie of coronakapsel. Die baby, de corpulentie en het kapsel komen echt niet door de ziekte, maar door de coronatijd waarin we leven, met alle maatregelen en gewoontes van dien.

Via @nosstories

In die betekenis heeft het woord corona zich ook in uitdrukkingen gevestigd. ‘In tijden van corona’ is binnen een jaar tijd een vaste uitdrukking – bijna een cliché – geworden. En soms zie ik zelfs een nieuwe zinsconstructie ontstaan. The Post Online kopte bijvoorbeeld: ‘Landelijke intocht Sinterklaas dit jaar GEHEIM, publiek niet welkom, want corona’. En de Groningse blog Sikkom: ‘IKEA Grunn weigert moeder met tweeling van één jaar oud, want corona’. ‘Want corona’, meer toelichting is er na een jaar doorspekt van coronanieuws blijkbaar niet meer nodig.

Dit artikel verscheen op zaterdag 12 december (in iets gewijzigde vorm) in het Dagblad van het Noorden en op 2 januari in de Leeuwarder Courant.

Een so (een is sowieso goed)

“Let even goed op, want ik zal je precies vertellen wat je moet leren voor het so van volgende week.” De leerlingen in mijn vwo-2-klas schrijven driftig mee met wat ik op het bord schrijf: verwijswoorden, zij/hun/hen, dat/wat, als/dan.

Niemand roept iets over de taalfout die ik in die zin gemaakt hebt. En dat is echt niet uit beleefdheid, want in principe grijpen ze elke gelegenheid aan om mij te wijzen op elke vermeende (!) fout. “Haha! Mevrouw! U zei ‘een aantal van jullie heeft’, maar het is natuurlijk ‘hebben’!” De reden dat ze niks zeggen is puur dat ze de taalfout niet gehoord hebben. Ik hoorde hem zelf ook niet. Ik vraag me af hoeveel van de lezers het zagen.

Ik wist pas dat het fout was, toen een vriendin mij appte. ‘Zeg jij de so of het so?’ Zonder twijfel antwoordde ik ‘het’. Voor haar gold hetzelfde. Maar op de school waar ze werkt, een gymnasium, zeggen alle docenten ‘de’. Alle leerlingen zeggen ‘het’.

Natuurlijk is het ‘de’ so. In principe krijgt een afkorting het lidwoord dat hoort bij de uitgeschreven vorm. Het is ‘de schriftelijke overhoring’, dus ook ‘de so’. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de tv (want: de televisie) en het hbo (het hoger beroepsonderwijs). Toch betwijfel ik of ik óóit in mijn leven ‘de so’ heb gezegd. En ik snap niet waarom.

Het gebeurt wel eens vaker dat het lidwoord van een woord verandert. Maar dat is eigenlijk altijd andersom. Van ‘het’ naar ‘de’.  In 2011 schreef Onze Taal al hoe het kan dat ‘het’ aan terrein verliest. Zo is er weinig informatie om aan af te leiden welk lidwoord je moet hebben, heeft het Nederlands überhaupt meer de-woorden dan het-woorden, en krijgen ook bijna alle nieuwe woorden ‘de’ (‘de feedback’, ‘de talkshow’). Logisch. Maar waar komt dan in vredesnaam die ‘het’ vandaan in ‘het so’?

Toen ik de toets van mijn klas nakeek, had ik soms moeite om een rode streep te zetten door ‘een meisje die’. Het feit dat ik ‘het so’ en niet ‘de so’ nakeek, vervulde me met bewustzijn dat taalgevoel soms tegen de regels indruist. Ik ga ervan uit dat als ze ‘het’ so vijftig jaar later hadden gemaakt, ik een krul had kunnen zetten.

Op Twitter krijg ik inmiddels veel reacties. De meest genoemde verklaring: ‘so’ stond vroeger voor ‘schoolonderzoek’, waarbij ‘het so’ wel logisch is. Hoewel ik de term ‘schoolonderzoek’ zelf niet ken (de term is in 1998 vervangen door ‘schoolexamen’) lijkt dit me geen gek idee.

De krokusjes komen

Nu ik weer ‘terug’ ben in het voortgezet onderwijs, heb ik opeens allemaal vakanties. Kerst- en zomervakantie natuurlijk, maar ook herfstvakantie, meivakantie en nu: voorjaarsvakantie. Of zei ik voorjaarsvakantie? Ik bedoel natuurlijk krokusvakantie.

Ik ben van mening dat we unaniem moeten overstappen op de term krokusvakantie, dat is echt oneindig veel beter dan voorjaarsvakantie. Nog los van het feit dat het woord ‘krokusje’ gewoon heel lief is, is voorjaarsvakantie veel te droog. Het geeft puur het wanneer aan. Net als herfstvakantie (in de herfst) en meivakantie (in mei). Krokusvakantie gaat over het waarom. We hebben niet zomaar een weekje vrij, het heeft een goede reden. We hebben iets te vieren. Kerst in december, en in februari: de krokusjes!

Ik vind de krokus iets heel goeds om te vieren. Het maakt de toch al fijne vakantie extra speciaal. Ook omdat er iets berustends in zit. We kunnen niet anders. Sorry jongens, de krokusjes komen, leg de pennen neer, tot over een week.

Niet geschoten

De taal heeft niet altijd gelijk. Sterker nog, de taal kan ons misleiden. Met verstrekkende gevolgen. Het lijkt alsof de taal er gewoon is om de werkelijkheid te beschrijven, maar niets van dat alles, wij gebrúiken de taal om de werkelijkheid te beschrijven en soms gaat dat helemaal mis. Dan doen we het niet zo zorgvuldig en denken daarna dat de taal gelijk heeft, want de taal zegt het toch. In dat licht ben ik erg voor het stoppen met zeggen dat Columbus Amerika ‘ontdekt’ heeft en het in musea vervangen van ‘slaven’ in ‘tot slaaf gemaakten’.

Zelf wil ik nu even de strijd aangaan met de uitdrukking ‘Niet geschoten, altijd mis.’ Een uitdrukking die, laten we wel wezen, echt helemaal nergens op slaat. Niet geschoten is nooit mis. Wel geschoten daarentegen is zeer waarschijnlijk mis.

Dat de belachelijke uitdrukking nog steeds in de roulatie is, lijkt me meer kwaad dan goed doen. Natuurlijk is er wat voor te zeggen dat je bij weinig kans alsnog iets kunt proberen. Maar niet geschoten is sowieso niet mis. Dat is de hele kwestie. Daarom is een beslissing maken soms ook zo moeilijk. Laat de taal je die troost niet afpakken. De taal heeft echt niet altijd gelijk.

Voorprettaal

Vraag: wat is er leuker dan pret?
Antwoord: voorpret.

Het is natuurlijk weinig mindful-living-in-the-moment-happinez van me, maar soms verdenk ik mezelf ervan meer voorpret dan reguliere pret te hebben. Qua kwantiteit sowieso, voor één dag leuks kun je weken aan voorpret ervaren. Hoe langer de in het vooruitzicht gestelde pret duurt, hoe eerder je met verheugen mag beginnen.

In de zomer ga ik twee weken met met mijn broertje interrailen door Oost-Europa, en ik kan je zeggen: de voorpret is reeds in hevige mate aangevangen.

In deze context is er een talige constructie waar ik een groot voorstander van ben. Namelijk: de morgen-zijn-we-nu-constructie. Stel, je gaat morgen met de trein naar Berlijn. De dag van tevoren kun je dan om 7.00 uur heel goed tegen je reispartner zeggen: “Morgen zitten we nu in de trein.” En dan om 15.00 uur: “Morgen zijn we nu op Berlijn Hauptbahnhof.”

Je zou denken dat het makkelijker kan. Je kunt ook zeggen: “Morgen zijn we in Berlijn” of “Morgen zijn we om 15.00 in Berlijn.” Maar zo werkt het niet. Dat is gewoon een droge mededeling. Nee, dan de morgen-zijn-we-nu-constructie (ook beschikbaar in volgende-week-zijn-we-nu en volgende-maand-zijn-we-nu-variant). Die is er niet om informatie te verschaffen, die is er om te zeggen: “stel je eens voor”, “het is bijna zover” en “ik kan niet wachten” ineen.

De morgen-zijn-we-nu-constructie is de vergrammaticalisatie van de voorpret.

Mijn rijbewijs

“Heb je je rijbewijs al?” vroeg iemand. Nog los van de inhoud (nee juh, ik vond een skelter al lastig, ik houd van treinen, ik woon in Amsterdam), moest ik lachen om deze zin.

De meeste mensen die willen weten of je bevoegd bent om te rijden, stellen de vraag precies zo. Of je ‘je rijbewijs al’ hebt. Er is iets vreemds met die zin aan de hand.

Sowieso het ‘al’. ‘Al’ suggereert dat – als het niet al zo is – het sowieso nog gaat gebeuren. En de bedoeling is. Vergelijk: “Heb je die man vermoord?” En: “Heb je die man al vermoord?” Terwijl, wie weet neem ik wel nooit autolessen, of ik haal ik nooit m’n examen.

Maar, eerlijk is eerlijk, ‘al’ kan ook weg. Mensen zeggen ook: “Heb jij je rijbewijs?” Is nog steeds vreemd. Want het echt vreemde is het ‘je’ van ‘je rijbewijs’. Dat zeggen de meeste mensen. In de niet-representatieve steekproef die mijn leven is, hoor ik significant meer mensen spreken over ‘je/mijn’ rijbewijs dan over ‘een’ rijbewijs. Ook als er van dat hele rijbewijs helemaal geen sprake is.

Voor mij klinkt de vraag “Heb je je rijbewijs al?” toch een beetje alsof het ding in een la van een middelgroot gemeentehuis voor me klaarligt. Voor-, tweede en achternaam erop, pasfotootje erbij, te wachten op het moment dat ik toch eindelijk eens slaag voor m’n rijexamen en het aan mij overhandigd kan worden.

Het maakt het ook een beetje sneu dat ik geen aanstalten maak tot rijlessen. Mijn rijbewijs ligt daar maar. Raakt steeds verderop onderop. Tot ze aan het eind van mijn leven moeten concluderen dat het daar al die tijd voor niks lag. “Ze heeft haar rijbewijs nooit gehaald.”

Door het bos de bomen

Iemand had mij gevraagd een column te schrijven. Het moest gaan over Nederlandstalige liedjes, want daar zijn er veel van en ik luister ze graag. Degene die het me vroeg zat bij een vereniging in Groningen waarvan de leden er prat opgingen dat ze niet van Nederlandstalige muziek hielden. Gewoon niet. Tussen Frans Duijts en Paul de Munnik maakten ze voor het gemak geen onderscheid. Dat er muziek zou kunnen bestaan die ze niet kenden, kwam niet in ze op. Voor hen was het Nederlands geen taal die ze zelf spraken, maar een genre, dat stond voor slechte smaak, bekrompenheid en woorden die onmogelijk poëtisch konden klinken. De meeste van hen studeerden een vreemde taal of volgden hun studie toch op zijn minst in het Engels. Zij waren mannen (m/v) van de wereld en lieten dat graag merken middels hun volhardende doch naïeve minachting voor het Nederlands.

En of ik ze even wilde vertellen dat ze fout zaten. Wilde ik wel. Ik wil graag uitleggen dat het raar, onnodig en vooral ook een beetje zielig is je eigen moedertaal zo te verachten. Dat de aanname dat de ene taal in essentie mooier is dan de andere, een misverstand is. Dat je net zo goed mooie, grappige, verrassende of ontroerende teksten kunt schrijven in het Nederlands. Met voorbeelden, veel voorbeelden. En dat het belangrijk is jezelf en je land niet te serieus te nemen, maar dat je in dezelfde val trapt als je zonder enkele ironie alles wat Nederlands is per definitie veracht.

Dat schreef ik allemaal op. In mijn laatste zinnen vatte ik samen dat het van een vreemd soort arrogantie is om open te staan voor de volledige brei aan anderstalige muziek, maar eventuele Nederlandstalige parels per definitie geen aandacht te gunnen. ‘Dan zie je’, zo schreef ik op, ‘door het bos de bomen niet meer.’

Ik geef toe, de nieuwe Drs. P. ben ik niet, maar ik vond het zelf best leuk gevonden. De redactie van het verenigingsblad dacht daar anders over. Of meer voor de hand liggend, dacht daar überhaupt niet over. Zonder met mij te overleggen verbeterden ze de zin naar ‘Dan zie je door de bomen het bos niet meer.’ Weg grapje. Weg betekenis. Weg mijn zo zorgvuldig geconstrueerde betoog.

Sindsdien heb ik het min of meer opgegeven andersgestemden met argumenten te overtuigen van hun ongelijk. Alleen de guerrillatactiek wil ik nog wel eens gebruiken, door anderen onverwacht te confronteren met een mooie zin. Ik ben zo moe, pak jij even mijn biezen? BAM.

Stemvorkwoorden

Oké, ik moet het toegeven, er waren dingen die ik als kind geloofde waar ik nu wel eens mijn twijfels bij heb. Sinterklaas bijvoorbeeld. Dat mijn vader het nummer van Beatrix in zijn telefoon had. Dat mijn opa en oma beschikten over iets met de naam ‘poeperoetsj’ waar ik mee te maken kon krijgen als ik me niet gedroeg. Maar ik was niet achterlijk. Er waren dingen die te ver gingen. Waar ik, in tegenstelling tot mijn leeftijdsgenoten, het complot doorzag.

Een van mijn heldere moment was tijdens de muziekles in groep vijf. Samen met meester Yme studeerden we liedjes in. I like the flowers, Fietsie foetsie is mijn fietsie, dat soort werk. Elke keer voordat we een lied inzetten, haalde hij een metalen voorwerpje tevoorschijn waarmee hij op de tafel tikte en dat hij vervolgens bij zijn oor hield. Hij keek er heel geheimzinnig bij. Met het ding kon hij horen op welke toon hij moest beginnen.

Haha. Daar trapte ik dus niet in. Ik moest erom lachen dat de andere kinderen in de klas het geloofden, want hier was ik toch net een tikkeltje te pienter voor. Een stemvork. Alleen de naam al maakte het niet bijster geloofwaardig. Je kunt de zee niet in een schelp horen en al helemaal geen muziek in een metalen stokje.

Och, wat vond ik mezelf scherpzinnig.

Nog steeds kom ik zo nu en dan tot zo’n ontdekking. Blijkt iets opeens echt te zijn, terwijl ik altijd heb gedacht dat het thuishoorde in de categorie kabouters, lurven, Sint Juttemis. Tadzjikistan bijvoorbeeld. Is dus echt een land. Bacillen, is helemaal geen door kleuters verzonnen woord. Aeroflot is daadwerkelijk een luchtvaartmaatschappij. En pas toen de kranten op 24 april dit jaar meldden dat Chriet Titulaer was overleden, kwam ik erachter dat dat toch geen typetje van Koot en Bie was, maar een onvervalst mens mét een carrière en zonder plakbaard.

Ik houd een lijstje bij met dit soort zaken. Het lijstje groeit gestaag. Ik noem het mijn stemvorkwoorden.